|
|
We behandelen ook enkele N.T. namen. Ten eerste Beëlzebul. De naam Beëlzebul (spreek uit Beël Zeboel) is een wat vergriekschte vorm van het Hebr.: Baäl Zeboel. Baäl betekent: heer, zeboel betekent: woning, woonstede, (o.a. 1 Kon. 8:13). Baäl zebul is dus: Heer van de woning. Hierbij moet men bijdenken: der onreine geesten. Sommigen houden deze naam voor een omvorming van Baäl Zebul, die in 2 Kon. 1:2,3,6 en 16 genoemd wordt; dit woord betekent echter: Heer der vliegen en was de in Ekron vereerde zonnegod die in de zomer de plaag der vliegen verwekte en ook weer wegnam, naar heidens inzicht. Vliegen beschouwde men als de dragers van ramp en ziekte (zie Jes. 7:18, Pred. 1:10). In Ahazia’s oogen had deze Baäl geneeskracht, niet alleen voor besmettelijke ziekten maar ook voor kneuzingen zooals hij opgelopen had. Vandaar dat hij tot hem zond om te vragen of hij genezen zou. Mogelijk is deze naam onwillekeurig omgevormd tot Beël zeboel zooals b.v. van Sichem Sichar werd gemaakt (Joh. 4). Anderen zien er een opzettelijke verandering in waaronder de Israëlieten dan verstonden de Heer van de mest, aangezien vliegen veel verontreiniging geven. Het eerste is de meest natuurlijke verklaring en we willen die aanvaarden. Beël zeboel betekent dus: Heer van de woning der onreine geesten. Christus spreekt in dit verband dan ook van het huis van de sterke, Mk. 3:27.
|
Wie is nu onder deze Beëlzebul te verstaan? Volgens sommigen is het niet Satan maar een onderleider. Deze is dan voor hen Abaddon of Apollyon, Openbaring 9:11, die de engel des afgronds heet. De naam Abaddon of Apollyon betekent verderver. Op zichzelf genomen bestaan zulke onderleiders. Of echter Beëlzeboel er een is, geloven we niet. We zien in hem Satan zelf. Wat we willen aantoonen uit de volgende teksten.
Mt. 12:24. Maar de Farizeërs dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de demonen (niet duivelen, zie hieronder) niet uit dan door Beëlzebul den overste der demonen.
Mt. 12:26 En indien de Satan den Satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelven verdeeld.
Hier wordt door de Farizeërs de naam Beëlzebul gebruikt, terwijl Christus van Satan spreekt. We geloven dat dit er op wijst dat beiden identiek zijn, dezelfde personen. We merken hierbij nog op, dat de Farizeërs geen kennis hadden van de rangorden in de geestenwereld, iets dat wij alleen weten uit N.T. boeken (b.v. Efeze en Colosse). En indien ze die al hadden, dan zouden ze zeker aan Christus niet de van een onderleider uit die wereld toegekend hebben, maar Hem ongetwijfeld die van de opperleider hebben gegeven. Verder is er duidelijk Schriftbewijs. Men zie de volgende teksten.
In Mk. 3:22 en 23. En de Schriftgeleerden zeiden: Hij heeft Beëlzebul en door den overste der demonen werpt hij de demonen uit. En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de Satan den Satan uitwerpen? Hier noemde de Farizeërs Beëlzebul de overste der demonen. Hij is dus geen onderleider. Verder krijgen we weer een aanwijzing dat Beëlzebul dezelfde is als Satan. Zoo ook in Luk. 11:15 en 18. De lichtvaardige spot der Farizeërs en Schriftgeleerden moet in bitter haat verkeerd zijn toen Christus — en dat terecht — hun vroeg: Indien Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit?, Mt. 12:27, Luk. 11:19. Geen wonder, dat Hij door hen Beëlzebul zelf werd genoemd, Mt. 10:25. Dat Beëlzebul Satan zelf is, blijkt zijdelings uit Handelingen 10:38, waarin gezegd wordt, dat de Heer Jezus genezen heeft allen die van den duivel overweldigd waren. Voor duivel staat Diabolos. Dit ziet ongetwijfeld op de uitwerping van demonen. Hier wordt Satan aangewezen als het rechtstreeksche hoofd. Waar in de Evangeliën Beëlzebul de overste der demonen is, volgt heruit dat ze identiek zijn, dezelfde in persoon.
Het volgt ook zijdelings uit Luk. 13:11 en 16. Een vrouw had een geest der krankheid, vs. 11. Een geest is hier wel een demoon (zie hieronder). Christus zegt, dat Satan haar gebonden had. Door middel van die geest, die demoon dan. Ook hier wordt Satan als hun hoofd gezien. In Mt. 12:24 is het Beëlzebul. We geloven dat ook hieruit weer volgt, dat Beëlzebul Satan zelf is. En geen onderleider.
|
We spreken in dit verband ook over de demonen en de geesten. We hebben reeds bij het woord duivel opgemerkt, dat de St. V. een ander woord, demoon, ook zo vertaald heeft en dat dit verwarrend is. We zullen hieronder al de teksten met demoon opgeven, dan kan ieder dit in zijn bijbel veranderen. Deze demonen heeten op andere plaatsen geesten. In de dagen van Christus op aarde, vinden we allerwegen onder Israël allerlei soort bezetenen. Niet door de Duivel maar door demonen. Van de Duivel staat slechts éénmaal dat hij in iemand gevaren is. Dat was in Judas. En ook hier zullen we ons nog moeten hoeden om dit letterlijk op te nemen, daar Satan een vormelijk wezen is zooals we zagen. Met uitzondering van dit geval staat er nimmer dat Satan in iemand gevaren is. Dat deden wel de demonen of geesten. Dat is het van de duivel bezeten zijn van de St. Vert. Deze bezetenheid beperkte zich niet tot één demoon. Iemand kom er meer dan één hebben. Maria Magdalena had er eenmaal zeven, Mk. 16:19, Luk. 8:2. Een man had er zelfs een legioen. Een legioen, een Romeinsche legerafdeeling, telde in vredestijd ± 6.000 man, in oorlogstijd soms 10.000 à 12.000. Nemen we 6.000, dan is dit nog een verschrikkelijk getal: 6.000 demonen in iemand. Hoe we een en ander in hebben te denken, zullen we hieronder zien. De demonen worden op andere plaatsen ook geesten genoemd, ook wel: onreine geesten. Volgens Mt. 10:1 gaf Christus Zijn discipelen macht om de onreine geesten uit te werpen, volgens vs. 8 is dit: werpt de demonen uit Zoo ook in Mk. 6:7 en 13. In Mk. 5:11 bij de man met het legioen, vragen de demonen om in de zwijnen te mogen varen; in vs. 13 staat, dat de onreine geesten uitvoeren. In hun geheel genomen vormden ze één geest, want vs. 2 zegt, dat de man een onreine geest had; en de Heer Jezus zegt: Gij onreine geest, ga uit van den mens. Op zichzelf bezien zijn het er een legioen. De veelheid ging op in de eenheid van handelen. Zoo ook Luk. 8:27 en 29. In Luk. 10:17 zijn de discipelen verblijd, dat de demonen hun onderworpen zijn, in vs. 20 zegt de Heere: Verblijdt u daarin niet dat de geesten u onderworpen zijn. Uit al deze teksten blijkt, dat deze geesten demonen zijn en de demonen ook geesten heeten. We wezen er reeds op, dat men veelal van geesten een verkeerde voorstelling heeft. Men kent ze geen lichaam toe. Dit is zeer onjuist. Ze hebben plaatselijkheid, anders zouden ze niet in en uit kunnen varen, ze gingen uit de man in de zwijnen, verplaatsten zich dus. Alles wat zich verplaatst, is lichamelijk. Het geest zijn wil niet zeggen: geen lichaam hebben, maar: geen aards, grof stoffelijk lichaam hebben. Vele demonen of geesten zijn voor ons vormelijke, lichamelijke wezens die iemand kunnen beheersen. Hoe deze beheersching of, zooals we meestal zeggen bezetenheid, plaats heeft, is moeilijk te zeggen. Soms zou men het best kunnen denken aan als ‘t ware mikroskopisch kleine wezens die zich in de hersencellen nestelen en van daaruit de zenuw banen in hun macht hebben. Sommigen werden immers met stomheid geslagen, Mt. 9:32, Mk. 9:17; anderen met blindheid, Mt. 12:22. In andere gevallen gaven zij de bezetene ontzettende kracht; de man die het legioen had, was zelf met geen ketenen te binden, Mk. 4:4. In weer andere gevallen wierpen, zij de bezetenen telkens neer om hen te verpletteren en vielen dezen daardoor in het vuur of het water, Mt. 17:15, Luk. 9:39. Zeer waarschijnlijk zijn er nog meer andere vormen geweest waarin de demonen zich openbaarden en waaruit bleek, dat de bezetenen de macht over hun wil verloren hadden omdat de demonen hen in de zenuwcentra aangrepen en van daaruit beheersten.
Echter, niet alle demonen schijnen kleine wezentjes te zijn. In Openbaring 16:14 en 15 is sprake van onreine geesten, geesten der demonen, die de vorschen gelijk zijn, Gr. als vorschen. Deze doen teekenen en gaan tot de koningen om die te vergaderen tot de krijg van de grote dag des almachtigen Gods. Hoe we ons dit hebben voor te stellen, is niet te zeggen. Er staat niet, dat het vorschen zijn, er staat alleen, dat zij als vorschen waren. Eén ding is er wel uit af te leiden, nl. dat zij weer lichamelijk waren: zij gaan uit van de ene plaats en komen tot de andere. Zij komen voort van Draak, Beest en Valsche Profeet: uit de mond betekent hier: op bevel van, en gaan tot de koningen. Elke verplaatsing veronderstelt lichamelijkheid. Demonen hebben dus ook een zeker lichaam, hetzij klein of groot. Weer een andere soort demonen zijn zij die Paulus bedoeld in 1 Cor. 10:20 en 21. Hij leert ons hier, dat de Heidenen de demonen offeren. Dit zijn de afgoden, vs. 19, de goden der Grieken en Romeinen en van andere volken. Nu moet men in deze niet zo zeer zien de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgodsbeeldjes, die de doorsneeheiden vereerde. Openbaring 9:20 toch maakt in dezen verschil en spreekt van het aanbidden der demonen en der afgoden. Demonen zijn hier meer zinnebeelden van krachten, geen afbeeldingen. De wijze Griek en de beschaafde Romein wist wel, dat de afgodsbeeldjes geen macht hadden. Hij zocht een hooger wezen. En dat zijn de goden en heeren, waarvan Paulus in 1 cor. 8:5 en 6 schrijft: Want hoewel daar ook zijn die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en heeren zijn) nochtans hebben wij maar één God,.. en één Heere. Paulus erkent dat er goden en heeren zijn. Daarmee bedoelt hij niet de afgodsbeeldjes, maar de demonen. We kunnen hierbij nog opmerken, dat, toen hij in Athene kwam, men meende, dat hij vreemde demonen (grondtekst) verkondigde. De St. V. zegt hier: goden; ‘t is de eenige keer dat zij demonen door een ander woord dan duivelen vertaalt. Deze soort demonen zijn mogelijk Satans engelen, Mt. 25:41. Uit een en ander blijkt, dat de naam demonen een samenvatting is van de verschillende soorten trawanten van Satan, van de kleinste demoon die in een mens de functies van geest, ziel en lichaam verstoort tot de goden en heeren die de volken aanbidden toe.
|
Van al die demonen, hetzij klein of groot is Satan de Overste, de Heer der woning. Die woning is thans nog de lucht. Vandaar dat hij ook heet: de overste van de macht der lucht. Door de demonen werkt hij in op de mensen. Hij doet dit echter niet steeds op dezelfde wijze. In Christus’ dagen op aarde deed hij het door bezetenheid. Toen gebruikte hij de kleine wezens, laat ons zeggen: de geestelijke bacillen. Deze besmetten de mens en beheersten hem lichamelijk. Dit had ook nog plaats in de Pinkstertijd, zie Hand. 5:16, 8:7, 19:12 Hij doet het ook anders en wel door afgodendienst. De afgodendienst is demonenvereering. Nog een andere vorm is het door demonen in laten werken op de mensen tot opstand en afkeer van God. Vandaar heet hij: de geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. In de tijd van de Openbaring gebruikt hij weer andere demonen. Men ziet zo zijn verscheidenheid in methode. Overal is hij er op uit het leven der mensen te verstoren, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk. We zullen over zijn macht nog nader spreken. In dit verband kon dit reeds genoemd worden. Uit een en ander blijkt, dat de naam: overste der demonen een ruime betekenis heeft en we daarom mede niet moeten denken aan een of andere geestelijke onderleider, maar aan Satan zelf. Satan heeft de kleine demonen gebruikt om de mensen bezeten te maken, zij voeren in hen. Hij deed dit nimmer zelf persoonlijk, om de eenvoudige reden, dat hij dan maar in één mens had kunnen zijn. Waar zij velen in aantal zijn, kon hij door hen velen knechten. Slechts eenmaal vinden we, dat Satan zelf in iemand gevaren is. Dat was in Judas nadat deze de bete ontvangen had. En na de bete, toen voer de Satan in hem, Joh. 13:27 In vs. 2 lezen we toen nu de Duivel in het hart van Judas Simons zoon Iskarioth gegeven had, dat hij Hem verraden zou. Eerst gaf hij het Judas dus in, toen voer hij in hem. We geloven dat we hier moetn denken aan een algeheele beheersching door Satan. Waar deze, zooals we zagen, een vormelijk wezen is, en wel mensvormig, is Joh. 13:27 niet geheel letterlijk te nemen alsof Satan geheel in Judas zou zijn ingekomen. We zullen hier meer aan een sterke beïnvloeding moeten denken, aan een geheel onder leiding van Satan staan. Voor voer in staat in het Gr.: ging in. dit ingaan behoeft geen letterlijk ingaan te zijn. Openbaring 3:20 zegt: Indien iemand Mijn stem zal hooren en de deur open doen, Ik zal tot hem inkomen en Ik zal avondmaal met hem houden. Dit is ook niet letterlijk te nemen, want Christus is lichamelijk. Het betekent: volle gemeenschap verkrijgen. Judas hoorde eerst naar Satan, Joh. 13:2, hiermee opende hij de deur van zijn hart. Toen kreeg Satan volle gemeenschap met hem en ging in hem in, beheerste hem geheel. Openbaring 3:20 verklaart Joh. 13:27.
|
Nog een enkel woord over de demonen. Demonen konden ook door mensen uitgeworpen worden. De zonen der Farizeën althans hielden zich daarmee bezig, Mt. 12:27, Luk. 11:19. Dit schijnt niet steeds gelukt te zijn. De zonen van een Joodse Overpriester konden een booze geeste niet uitwerpen, Handelingen 19:13-16. Of zulke uitwerpingen daarbij blijven waren, is ook onzeker. De onreine geesten keerden soms terug, Mt. 12:43, Luk 11:24. Het waren dus vaak slechts tijdelijke verlatingen. Het laatste was soms erger dan het eerste. Van geheel andere aard waren de uitwerpingen door Christus en Zijn discipelen verricht. Hij deed het door de Geest Gods en gaf Zijn discipelen daartoe kracht en macht, Mt. 12:28, 10:1, Luk. 9:1. Paulus had later ook die macht. Hij beval de waarzeggende geest in de naam van Jezus Christus uit de dienstmaagd uit te gaan. Handelingen 16:16-18; later voeren de booze geesten zelfs uit als de bezetenen de zweetdoeken (hoofddoeken) of gordeldoeken (voorschoten bij het tentenmaken) die Paulus gedragen had, aanraakten, Handelingen 19:11,12. Een merkwaardige openbaring in dezen over de demonen vinden in Mk. 5 en Luk. 8 bij de man die het legioen had. Als de demonen hooren, dat zij moeten uitgaan, bidden zij de Heere hen niet in de afgrond te zenden, Luk. 8:31 (volgens Markus; niet buiten dat land). De afgrond is de Hades (zie Rom. 10:7). Zij willen niet naar die plaats. Zij mogen nu in de zwijnen varen, Mk. 5:13; deze storten zich in de zee. Het schijnt dus, dat de demonen óf vreezen voor de afgrond, óf voorliefde hebben tot het water. Is dit laatste zo, dan is het te verstaan dat zij geen rust hebben in dorre, Gr. waterlooze, streken, Mt. 12:43. Eenmaal zal de plaats waar Babel gelegen heeft, de woonplaats zijn der demonen, de bewaarplaats van alle onreine geesten, Openbaring 18:2. Bewaarplaats betekent hier: kerker, gevangenis. Zoo is het b.v. vertaald in Mt. 5:25, 14:3, 18:30, Handelingen 12:4, e.a. Zij zullen daar dus moeten verblijven en niet weg kunnen. Babel zal worden tot eeuwige (aionische) woestheden, Jer. 51:62; het zal zijn tot steenhoopen, 51:37. Het zal Babel vergaan als Sodom en Gomorra, 50:40. Deze zijn geworden een land van zwavel en zout der verbranding, niet bezaaid, zonder spruit of kruid, Deut. 29:23. Zoo wordt ook Babel. En daar, in het dorre, waar zij geen rust zullen hebben, zullen de demonen moeten wonen, daar zal hun gevangenis zijn. Dit is het laatste wat we in de Schrift er van hooren. De demonen krijgen op het gebied van Babel eenmaal hun kerker. Hun verder lot wordt niet vermeld.
En thans men kan vragen of bezetenheid thans, in onze dagen, ook nog voorkomt, Velen menen dat men die terug vindt in krankzinnigheid of andere geestesstoringen, ja zelfs in andere ziekten. We geloven dat men om te beginnen met de Schrift moet onderscheiden tussen krankheden en bezetenheid. Christus immers genas allen die kwalijk gesteld, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen en hen die van demonen bezeten waren, Mt.4:24; de discipelen moesten o.a. kranken genezen en demonen uitwerpen, Mt. 10:8. De ziekte in Israël werd dus onderscheiden van bezetenheid. Is krankzinnigheid dan soms geen bezetenheid? We geloven van niet. We houden krankzinnigheid en geestesstoringen meer voor ziekten die of berusten op fysieke, d.i. lichamelijke natuurlijke afwijkingen, waarbij de geest zich als ‘t ware door verkeerde en gebrekkige ordening der hersencellen of door onvolkomenheden een afwijkende baan boort en zich daarin voorstuwt óf op waandenkbeelden die door veelal onpersoonlijke uitwendige invloeden veroorzaakt worden (b.v. allerlei waanzin). Er zijn geneeslijke gevallen van krankzinnigheid zonder dat er een of andere demon uitgeworpen wordt, bewijs, dat ze geen bezetenheid is. Bij bezetenheid neemt een of ander zeer klein maar persoonlijk en bewust wezen plaats in een der hersencentra en beheerst van daaruit ‘smensen doen en wezen. Bij krankzinnigheid is ‘smensen natuur in de war, niet door een inwendige persoonlijke invloed, maar door lichamelijke of geestelijke invloeden. Lichtelijk kan de geest, die bezit is van de persoon, zich door een kleine afwijking in de hersencellen fantasiebeelden en banen scheppen die wij geestesziekten noemen, maar waarvan de basis een fysieke, lichamelijke is. Ook kan er door uitwendige invloeden, b.v. door onschriftuurlijke menselijke leerstellingen (de Schrift maakt wijs tot zaligheid) een waandenkbeeld ontstaan, dat bedenkelijke afmetingen kan aannemen. Geen van beide is bezetenheid. Maar komt de echte bezetenheid dan thans niet meer voor in onze dagen? We durven hierop niet met een beslist: neen te antwoorden, we achten het zeer wel mogelijk, dat er b.v. bij spiritisten bezetenen voorkomen, bij wie een geest geheel bezit genomen heeft van een mens, hem geheel regeert. Mediums laten zich telkens tijdelijk beïnvloeden; het kan ook zeer wel voorkomen, dat men blijvend beïnvloed wordt; dan is men bezeten. We geloven dat nog door gebed hiervoor genezing mogelijk is, Mk. 9:29. Christus kan hen ook thans nog uitwerpen. De mogelijkheid en feitelijkheid der bezetenheid achten we zo in onze bedeeling voorhand of aanwezig. We wijzen er echter op, dat Satan daar thans in hoofdzaak niet mee tegen God in werkt. Thans verblindt en verleidt hij meer en werkt de verborgenheid der ongerechtigheid. Vroeger demoniseerde hij, thans verleidt hij meer. Het eerste was een uitdaging van Gods Zoon, hij daagde Deze uit te doen blijken, dat Hij de demonen kon uitwerpen. Het tweede is een uitdaging van Gods Geest, die hij verzoekt om te zien of Hij alle dingen in het juiste licht kan doen zien. Satans aanval op Gods werk is dus van karakter veranderd, omdat de bedeeling veranderd is. We achten bezetenheid nog mogelijk maar zoeken daarin thans Satans voornaamste aanvalswapen niet. Dit is te zoeken in allerlei misleiding en verlokking.
|
In dit verband moet nog een kategorie wezens genoemd worden, nl. Satans engelen. Hiervan is slechts enkele malen sprake. Er is een aionisch vuur voor de Duivel en zijn engelen bereid, Mt. 25:41. Paulus had een engel des Satans die hem met vuisten sloeg, 2 Cor. 12:7. De Draak krijgt eenmaal met zijn engelen, Openbaring 12:7 en wordt met hen uit de hemel geworpen, vs. 9. Deze engelen staan in tegenstelling met Christus’ engelen, Mt. 16:27, 24:31, 25:31, Mk. 13:27, met de heilige engelen, Luk. 9:26, de engelen Zijner kracht, 2 Thess. 1:7, de uitverkoren engelen, 1 Tim. 5:21. Satan zelf heet de engel des lichts en ook de engel des afgronds. Waar hij staat over de demonen, is het niet onmogelijk dat zijn engelen dat ook doen en aanvoerders zijn van het demonenheer. Dat kunnen echter ook zijn de overheden en machten. We weten dit niet. God licht de sluier van die booze geestelijke wereld slechts zeer weinig op. Het zou ook niet goed zijn. We zouden wellicht door vrees verteerd worden als we zagen, welke Satanische machten ons omringen en hoe zij ageeren. Er wordt alleen kort aangegeven dat ze er zijn en ook gezegd, dat God ze soms gebruikt om de geloovigen te slaan. Het hoe verbergt Hij zelfs zo, dat we nu nog niet weten, wat die doorn in het vleesch van Paulus is geweest. Eén ding is zeker: buiten Gods wil kan geen schepsel zich roeren of bewegen.
|
|
|
Het woord Abaddon betekent: verderver. In het Hebreeuws wordt het gebruikt in Job 26:6, 28:22, Ps. 88:12, Spr. 15:11, 27:20 waar er verderf en in Job 31:12 waar er verderving vertaald is. In Job 26:6 wordt het in verbinding gebracht met sheool, zo ook in Ps. 88:12; in Spr. 15:11 27:20 en Job 28:22 staat bij elkaar: verderf en dood. Het woord heeft dus te maken met dood en graf. In Openbaring 9:11 is het de naam van een persoon. Het Gr. woord Apollyon betekent verdervende of verderver. In Openbaring 9:11 heet deze verderver de engel des afgronds. Hij is koning over geweldige sprinkhanen die mensen vijf maanden pijnigen. Wie is nu deze verderver? We geloven dat we ook hier aan Satan moeten denken. ‘t Is hij die het geweld des doods heeft. Wel worden er hier geen mensen gedood, maar dat neemt niet weg, dat zijn wezen daarmee niet verandert en hij de verderver blijft. Hij is er steeds op uit om mensen te vermoorden, te pijnigen, hen lichamelijk en zedelijk te verderven en hen verloren te doen gaan.
|
T.o.v. de andere namen kunnen we kort zijn. Satan heet de god dezer eeuw. Men weet, dat deze eeuw (aioon) loopt vanaf de Zondvloed tot Christus’ wederkomst. Hoewel Satan reeds in de Hof van Eden zijn rol speelde, is hij na de Vloed de God dezer eeuw geworden, omdat alle afgoderij — en daarin ligt tot nu het grootste deel der mensheid verzonken — Satanvereering is. Ze is demonendienst en hij is de overste der demonen. Vanaf Babel hebben de volken zich van God afgewend, hebben Hem niet verheerlijkt. Satan heeft hen toen verleid en nu dienen zij hem. Hij is ook de Overste der lucht.
Door zijn demonen, overheden, machten, geweldhebbers der wereld, duisternissen dezer eeuw en geestelijke boosheden oefent hij zijn macht van boven uit. Velen menen, dat Satan in de Hel is. De Schrift zegt, dat hij nog in de hemel is, Openbaring 12:9. Hiertoe behoort ook de lucht waar Satan met zijn booze heermacht zetelt en van waaruit hij de wereld beheerst. Hij heet Geest omdat hij een niet grof stoffelijk aards lichaam heeft. Hij kan verschijnen en weer heengaan. Hij verscheen b.v. tijdens Christus’ verzoekingen. Als geest heeft hij echter wel een lichamelijke vormelijke gestalte. Deze is mensvormig. Hij verandert zich in een engel des lichts en engelen verschijnen steeds als mannen (Gen. 19:26, Hand. 1:10). Hij heet de Boze omdat zijn werken boos zijn. Men moet bidden om verlossing van de Boze, Mt. 6:13. Hij houdt de heele wereld omkneld. 1 Joh. 5:19. Voor verdere uitwerking van een en ander zie men het hoofdstuk over Satans macht.
|
Tot slot van dit hoofdstuk geven we de plaatsen op, waar demoon of demonen kan vertaald worden. Dit zijn er totaal 565. Strikt genomen heeft het Grieksch twee woorden, daimonion en daimon (beiden in het enkel- of meervoud) Het eerste komt 60 maal voor en wel 11 maal in Mt., 13 maal in Mk, 22 maal in Luk., 6 maal in Joh. En verder nog 8 maal in andere N.T. boeken.
Mt. Velen zullen eenmaal zeggen in ‘sHeeren naam demonen uitgeworpen te hebben, Mt. 7:22. Christus wierp een demoon uit, bij een stom mens, 9:33. Hij wierp de demonen uit door de overste der demonen, zei men, Mt. 9:34,34. De apostelen konden ook demonen uitwerpen, 10:8. Ook Johannes had een demoon, zei men, 11:18. In 12:24, 24 staat voor de overste der demonen de naam Beëlzebul. Niet door hem, maar door de Geest Gods wierp Christus ze uit, 12:27, 28. Een maanzieke had ook een demoon, 17:18.
Mk. De demonen die Christus uitwierp, mochten niet spreken, 1:34, 34, 39. Verder vinden we de herhaling van Mattheus 9, 10 en 12 in 3:15, 22, 22 en 6:13. De Heere wierp ook een demoon uit bij de dochter van de Syro-Fenische vrouw, 7:26, 29, 30. Ook anderen wierpen demonen uit, 9:38; Maria Magdalena had 7 demonen gehad, 16:9. Zij die geloofden, konden later ook demonen uitwerpen, 16:17.
Luk. In de synagoge te Nazareth was een mens met de geest van een onreine demoon, 4:33. Deze voer uit, vs. 35. Ook bij anderen, vs. 41. 7:33. Als Mt. 11:18, 8:2 als Mk. 16:9. In 8:27, 30, 33, 35 en 38 wordt gesproken van het legioen demonen. 9:1 als Mk. 3:15. In 9:42 wordt een jongen genezen die bezeten was. 9:49 als Mk. 9:38. De discipelen waren er over verblijd, dat de demonen hun onderworpen waren, 10:17. Christus genas een stomme met een demoon, 11:14, 14 11:15, 15, 18, 19 en 20 als Mt. 12 Verder nog 13:32.
Joh. Hier vindt men het woord 6 maal. Telkens zei men van de Heeren, dat hij een demoon had, 7:20, 8:48, 49, 52; 10:20, 21.
In andere N.T. boeken. Paulus was een verkondiger van vreemde demonen (de St. Vert. goden) Hand. 17:18. Hij schrijft echter dat de heidenen aan de demonen offeren, 1 Cor. 10:20. Dat moesten de Corinthiërs niet (meer) doen, vs. 20. Er is een drinkbeker en een tafel der demonen, vs. 21, 21.In de laatste tijden zullen sommigen zich begeven tot verleidende geesten en leeringen der demonen, 1 Tim. 4:1. De demonen geloven ook en sidderen, Jak. 2:19. Vele aanbidden de demonen, Openbaring 19:20. Het tweede woord, daimon komt 5 maal voor. Demonen vroegen de Heere in iets, Mt. 8:31, Mk. 5:12. Een man werd door een demon in de woestijnen gedreven, Lk. 8:29. Uit de mond van Draak, Beest en Valsche Profeet komen eenmaal onreine geesten; het zijn geesten der demonen, Openbaring 16:14, d.i. ze zullen zich openbaren als drie groepen demonen. Babylon zal eenmaal de woonstede der demonen zijn, Openbaring 18:20.
|
Het bijvoeglijk naamwoord demonisch vinden we in jak. 3:15: wijsheid kan aards, natuurlijk (ziellijk) demonisch zijn. Het werkwoord: van demonen bezeten vinden we in Mt. 4:24; 8:16; 28, 33; 9:31; 12:22; 15:22; Mk. 1:32; 5:15, 16, 18: Luk. 8:36, Joh. 10:21.
Het woord geesten voor onreine of booze geesten vindt men in Mt. 8:16; 10:1; 12:43; 45; Mk. 1:23, 26, 27; 3:11, 30; 5:2, 8, 13; 6:7; 7 : 25; 9:17, 20, 25; Luk. 4:33, 36; 6:18; 7:21; 8:2, 29; 9:39, 42; 10:20; 11:24, 26; 13:11; Hand. 5:16; 8:7; 16:26, 18; 19:12, 13, 15, 16; 1 Tim. 4:1; Op. 16:13, 14; 18:2. In Hand. 23:2 (engel noch geest) is het neutraal, kan het goede of booze geest beteekenen.
|
|
|
Jesaja 27:1. In het voorafgaande hebben we de O. en N.T. namen behandeld. We willen nu eenige teksten bespreken, waarin we menen, dat Satan niet aangeduid wordt. De eerst vindt men in het O.T., de andere in het N.T.
|
De eerste tekst die we bedoelen, is Jesaja 27:1. Daar lezen we het volgende: Te dien dagen (nl. van 26:21) zal de Heere met zijn hard en groot en sterk zwaard bezoeken den leviathan, de lang wemelende slang, ja den leviathan, de kromme kronkelende slang, en Hij zal den draak die in de zee is, dooden. Velen meen dat ook hiermee Satan wordt aangeduid. Wij voor ons menen van niet. Wat we zullen nagaan. Vooraf een vooronderzoek.
Het woord leviathan is eigenlijk een onvertaald Hebreeuwsch woord. Het komt vijf maal voor en wel in Job 3:8 (St. V. rouw, grondtekst: een leviathan, hier staat het woord voor het misbaar, dat vergeleken wordt met het geluid van een leviathan); 40:20 (hier is de krokodil bedoeld); Ps. 104:26 (hier duidt het een groot zee dier aan); in 74:14 ( hier kan men het figuurlijk nemen voor Egypte’s macht) en dan Jesaja 27:1 waar het op iets toekomstigs ziet. Het woord draak komt in twee vormen voor, tannin en tannim. De eerste staat in Job 30:29 (den draken een broeder geworden); Ps. 44:20, Jes. 13:22, 34:13, 35:7, 43:20, Jer. 9:11, 10:22, 14:6, 49:33, 51:37 en Mich. 1:8, waar de St. V. overal draken zet. Verder staat het in Ez. 29:3; die grote zeedraak, Eng. Bijbel: de grote draak, Hebreeuwsch: draken; dit is een majesteitsmeervoud. Het gaat over Farao: Zie Ik wil aan u, o Farao, Koning van Egypte, dien groten zeedraak dien in het midden zijner rivieren ligt. Er was hier geen noodzaak om af te wijken en zeedraak te zetten. Verder nog in Ez. 32:2. Hier handelt het ook over de koning van Egypte: Mensenkind, hef een klaaglied op over Farao den Koning van Egypte en zeg tot hem: Gij waart als een zeedraak in de zeeën, Hebr.: als draken, majesteitsmeervoud.
De andere vorm staat in Gen. 1:21: God schiep de grote walvisschen. Verder Ex. 7:9. Aarons staf zou tot een draak worden, zie vs. 10, 12; Deut. 32:33 (hun wijn is vurig drakenvenijn); Neh. 2:13 (Drakenfontein); Job. 7:12 (Ben ik dan een walvisch); Ps. 74:13 (Gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken); 91:13 (den draak vertreden); 148:7 (gij walvisschen); Jes. 27:1; 51:9 zijt Gij het niet die Rahab (d.i. Egypte) hebt uitgehouwen, die den zeedraak (draak) verwond hebt ?; Jer. 51:34 (hij —Nebukadnezar heeft mij verslonden als een draak); Klaagl. 4:3 (zelfs laten de zeekalveren de draken de borsten neder, zij zoogen haar welpen). Uit deze teksten blijkt, dat een draak een groot op het land levend dier is, een soort slang of een langgerekt waterdier. In Jes. 27:1 is het een parallelisme van slang. Is dit nu Satan?
Neen, hebben we reeds gezegd. Dit kan niet krachtens het verband en de verdere Schrift. Jes. 27:1 is voortzetting van 26:21. Daar lezen we: Want zie, de Heere zal uit Zijn plaats uitgaan om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken. En dan gaat 27:1 voort: Te dien dage zal de Heere bezoeken de..slang.. en Hij zal den draak die in de zee is dooden. Nu wordt Satan noch bij Christus’ wederkomst, noch zelfs duizend jaar later gedood. Bij de wederkomst wordt hij gebonden en in de afgrond gesloten, Openbaring 20:2,3, duizend jaar later wordt hij in de vuurpoel geworpen om in de aionen gepijnigd te worden. Van een dooden lezen we bij die twee momenten niet. En verder reikt Jes. 26 en 27 niet. Hier kan Satan dus niet bedoeld zijn. Wat we er dan van denken? We geloven dat die leviathan, die slang en die draak de lange stoet van legers aanduiden die op zullen trekken tot de slag van Armageddon. Openbaring 16:13 en 14 zegt: En ik zag uit den mond des Draaks en uit den mond van het Beest en uit den mond van den Valschen Profeet drie onreine geesten gaan, en zij doen teekenen; welke uitgaan tot de koningen der geheele wereld om die te vergaderen tot den krijg van dien groten dag des almachtigen Gods. Waar de zee volken en scharen en natiën en tongen zijn, Openbaring 17:15, is deze slang een macht in die natiën en volken die zich voortbeweegt naar zeker punt. We weten wat er mee geschiedt: ze worden gedood bij Christus’ wederkomst, Openbaring 19:21, Zach. 14:12: Te dien dage, wordt deze slang en draak en leviathan gedood. Maar dat geschiedt met Satan niet.
|
|
|
We vonden in 2 Cor. 4:4 de naam: God dezer eeuw. Velen menen dat dit een andere betiteling is voor: Overste dezer wereld. We moeten dit ten sterkste ontkennen. We weten wel dat men algemeen meent, dat Satan ook de Overste dezer wereld is en dat men deze term vanaf Augustinus tot op onze tijd zo verklaart, maar voor ons ten onrechte. Voor ons geeft men hiermee Satan een titel die hem niet toekomt, waarop hij geen recht heeft en die hij ook niet waardig is. Men maakt hiermee een treurige vergissing, want — niet Satan is de Overste dezer wereld, maar Christus. We zullen dit aantoonen. Vooraf schrijven we de teksten af: Ze komen alleen voor in het evangelie van Johannes. Joh. 12:31, 32. Nu is het oordeel dezer wereld, nu zal de Overste dezer wereld buitengeworpen worden. En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken. Joh. 14:30. Ik zal niet veel meer met u spreken, want de Overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets. Joh. 16:8-11. En Die (nl. de Trooster) gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heen ga en gij zult Mij niet meer zien; en van oordeel, omdat de Overste dezer wereld geoordeeld is.
Joh. 12:31, 32. (Top)
-
In Joh. 12:31 is er sprake van, dat de Overste dezer wereld buiten zal geworpen worden, Gr. uitgeworpen buiten. Is dat toen met Satan geschied? 2 Cor. 4:4 noemt hem de overste dezer eeuw (aioon), Ef. 2:2 de overste van de macht der lucht. Hij wordt eenmaal wel uit de hemel geworpen, Openbaring 12:9, maar nergens staat dat hij buitengeworpen is. Veelal leest men, alsof er staat: nu wordt het oordeel over de wereld uitgesproken. Dit laat het Grieksch niet toe: er staat niet krima (oordeel) maar krisis (krisis, beslissende punt). Christus kwam niet om de wereld te oordeelen maar om die te behouden, vs. 47. Er werd geen oordeel uitgesproken en Satan werd nergens buitengeworpen. Het oordeel komt pas in de toekomst. (2 Thes. 1:5, Op. 14:7, 19:2, en v.v.). Indien hier Satan bedoeld is, dan had de wereld Satan moeten oordeelen. Immers God oordeelde de wereld toen niet. Waar lezen we daar iets van? Wel lezen we, dat hij na 1.000 jaar gebonden te zijn geweest, de volken weer verleidt. Deze volgen hem dus dan nog, in stee dat hij reeds in Christus’ tijd door hen veroordeeld zou zijn. Men ziet, dat de dingen zo niet opgaan. Er had geen oordeelsuitspraak plaats (krima), maar de wereld kwam tot een krisis, een beslissend oogenblik of tijd, een keerpunt. En toen wierp ze Satan niet uit, de overste dezer eeuw, maar Christus, de Overste van de wereld, de Overste van de Koningen der aarde, Openbaring 1:21. Men lette er op, dat er nu staat. Nu kan niet beteekenen: na 20 of meer eeuwen. Het woord komt 28 maal in het evangelie van Johannes voor en heeft bij tijdsbepalingen nergens anders betrekking op dan op de tegenwoordige tijd, op het heden dat bedoeld is of op de vlak bij zijnde toekomst. Zie Joh. 28 (schept nu); a4:18 (dien gij nu hebt); 4:23 (de ure komt en is nu); 5:25 (als 4:23); 9:21 (hoe hij nu ziet); 11:22 (ook nu weet ik); 12:27 (nu is Mijn ziel ontroerd); 13:31 (nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, nl. na het uitgaan van Judas); 13:36 (Waar Ik henenga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult Mij namaals volgen); 16:5 (en nu ga Ik henen); 16:22 (gij dan hebt nu wel droefheid); 17:13 (nu kom Ik tot U); 21:10 (brengt van de visschen die gij nu gevangen hebt). Men ziet, dat er een heden of een vlak op dat heden volgende toekomst mee bedoeld wordt. Indien de Heere een periode bedoeld had in de verre toekomst, dan had Hij gesproken van een namaals, zooals in 13:36. In 12:31 slaat het op de vlak bijzijnde toekomst. De evangelist zet het er zelfs bij: vs. 33: En dit zeide Hij, beteekende hoedanigen dood Hij - de Overste der wereld - sterven zou. Er is dus geen twijfel mogelijk: de Overste der wereld Die buitengeworpen werd, is Hij die van de aarde verhoogd werd. Men kan vragen waarom de Heer Jezus hier ineens overgaat van de derde naar de eerste persoon. In vs. 31 zegt Hij: de Overste dezer wereld, in vs. 32 Ik. Laat ons opmerken, dat dit telkens weer gebruikelijk is in de Evangeliën. De Heer Jezus zegt in plaats van Ik Zoon des mensen in b.v. Mt. 9:6. Daarmee bedoelt Hij toch geen ander dan Zichzelf. Zoo ook 12:32. Hij zegt in 11:27: Niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon en dien het de Zoon wil openbaren. En vlak daarop: Komt allen Mij Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, enz. Ook hier deze overgang. Zoo ook 16:28 Voorwaar Ik zeg u tot zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen. In het evangelie van Johannes vinden we die wisselingen b.v. in Joh. 1:52: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik ulieden, van nu aan zult gij den hemel zien geopend en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen, in 2:19: breekt dezen tempel en in drie.. dagen zal Ik hem oprichten. Zie ook 5:22-24; 5:25: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: de ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hooren, de stem van den Zoon Gods. Zie ook 6:33-35. Men ziet dat deze vorm van spreken telkens weer voorkomt. Wij Westerlingen zouden het voornaamwoord eerst herhalen: Dit doet de Oosterling niet. Het verband laat de bedoeling echter voldoende uitkomen.
Joh. 14:30. (Top)
- In Joh. 14:30 staan we weer voor hetzelfde: overgang van de ene persoonsvorm in de andere. Hier juist andersom: nu staat de eerste persoon voorop.
Joh. 12:31, 32. De Overste dezer wereld -- Ik.
Joh. 14:30. Ik -- de Overste dezer wereld.
Dit geeft geen moeilijkheid. Er is iets anders dat het doet, nl. dit: de Overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets. Hieruit volgt toch duidelijk genoeg, zal men zeggen, dat het Satan is. Die had aan Christus niets. In Hem toch is geen zonde, daarom kon Satan Hem niet vatten. Zoo is de meening. Laat ons eerst over dit komen een en ander zeggen. Ten eerste heeft het ruimer betekenis dan ons werkwoord. Het kan ook beteekenen optreden : Elia zal komen d.i. weer optreden, Mt. 11:14; 17:10,11. De Zoon des mense kwam etende en drinkende, Mt. 11:18. Ook verschijnen : de Zoon des mensen zal komen in de wolken, Mk. 13:26. Zoo ook Mt. 25:31. Ook: in iemands naam optreden, Joh. 5:43. Ten tweede, wordt het, hoewel in de tegenwoordige tijd staande, gebruikt van iets toekomstigs: de ure komt in welke allen die in de graven zijn, Joh. 5:28. De nacht komt, 9:4, zie ook 4:35, 5:24, 16:2, 25, 32. Maar de Christus, wanneer Hij komen zal, 7:27, Gr.: wanneer Hij komt. Zal dan de Christus uit Galilea komen ?, 7:41. Gr.: komt dan, enz. Zoo ook vs.42. In andere teksten is het woord door kwam vertaald. Zie b.v. Joh. 4:7; 6:5; 11:20, 38; 12:22; 13:6; 18:3; 20:2, 6; 21:13. In een paar teksten door ging, Joh. 11:29; Maria ging tot Christus, Maria Magdalena ging tot de discipelen, 20:18. Men ziet dat men in deze niet al te strak op de tegenwoordige tijd van het werkwoord kan staan en dat het werkwoord ook ruimer begrip heeft. Als Christus dan ook zegt: de Overste der wereld komt", kan dit zeer wel beteekenen: de Overste der wereld is gekomen. Nog lastiger schijnt het laatste deel: en heeft aan Mij niets. Het Grieksch heeft: en in Mij niet heeft iets. Wat hier mee? Het werkewoord hebben komt vaak voor in Johannes (± 80 maal). Slechts een enkele maal wordt het gebruikt in verband met stoffelijke dingen. We noemen Joh. 2:3; zij hebben geen wijn, 4:11; gij hebt niet om mee te putten, 18:10; Petrus had een zwaard, 21:5; zij hadden geen toespijs. Verder wordt het meerendeels gebezigd bij abstrakte dingen. Men kan leven hebben, 5:26; 10:10; 20:31; aionisch leven hebben 3:15, 16; 5:24; 6:40, 47. De wereld ziet van dit alles niets. Ze zag geen gedaante noch heerlijkheid in Hem. Al wat ze in Hem zag was, dat Hij een demoon had, 7:20; 8:48, 52; 10:20 en graag wilden ze iets hebben om Hem te beschuldigen, 8:6. Iets hebben in iemand is een Hebreeuws idioom. Het kon gemakkelijk door de discipelen verstaan worden. Het betekent zooveel als: geen deel hebben aan, niets vinden in. Met een en ander voor ogen lezen we Joh. 14:30 b nu aldus: want de Overste dezer wereld is gekomen en de wereld vindt niets in Mij. Men denke aan Jesaja 53:3. Met Overste dezer wereld kan ook hier Satan niet bedoeld zijn, want nergens staat dat deze komt. Dat werd uitsluiten van Christus gezegd (1).
(1) Het woord komende, is een soort titel voor Christus. Deze betreft zoowel de eerste als de tweede komst. We vinden hem in Mt. 3:11; 11:3; 21:9; 23:39; Luk. 7:19, 20; 19:38; Joh. 1:15, 27; 3:31, 31; 6:14; 11:27; 12:13; Hand. 19:4, Hebr. 10:37; Op. 1:4, 8; 8:4. Meestal is er vertaald: die komt. Het Grieksch heeft: de komende.
Het werkwoord heeft heeft zijn onderwerp niet in Overste maar in wereld. Ook deze gedachtesprongen zijn eigen aan de Schrift. De bepaling is dan het onderwerp van de bijzin. Zoo hier. Niet Satan heeft iets aan de Overste der wereld, maar de wereld heeft niets aan Hem. Zij vindt in Hem niets begeerlijks.
Joh. 16:8-11. (Top)
- Ook in Joh. 16:8-11 heeft verwisseling van persoonsvorm plaats. Men lette op de rangschikking.
van zonde in Mij niet geloven;
van gerechtigheid Ik ga tot de Vader;
van oordeel de Overste dezer wereld geoordeeld.
Eerst is het Mij en Ik, dan: de Overste dezer wereld. Bezien we ook deze verzen nog nader. Het woord overtuigen is hier te sterk. In Mt. 18:15 is het vertaald door: bestraffen. Zoo ook Luk. 3:19, Joh. 3:20, Tit. 1:13, 2:15, Hebr. 12:5, Jak. 2:9, Jud. 15. In Tit. 1:9 door wederleggen. Alleen in Joh. 8:46 en 16:8 door overtuigen. Het zelfstandig naamwoord staat in Hebr. 11:1: bewijs en 2 Tim. 3:16; wederlegging. Het werkwoord is beter te vertalen door: het bewijs leveren of: bestraffen. De Heilige Geest heeft de wereld tot heden toe in het algemeen niet overtuigd. Na bijna 20 eeuwen zijn er nog een betrekkelijk klein aantal overtuigde geloovigen. Wel heeft Hij door Christus’ opstanding de wereld het bewijs geleverd van of ze bestraft wegens haar zonde tegen Christus en haar van gerechtigheid en oordeel gesproken. Hij heeft Christus verheerlijkt en zo bewijst Hij de wereld haar misdaad. Die wereld omvatte wel allereerst Israëls wereld (zie Joh. 11:49, 50), maar ook de Heiden staat schuldig aan Christus’ dood (Pilatus, de Romeinen).
Christus zegt, dat Hij reeds geoordeeld is. Dit wijst er op, dat Zijn vonnis reeds bij voorbaat vasstaat en Hij sterven moest. Het besluit daartoe was reeds gevallen na Lazarus’ opwekking, Joh. 11:49-51. Hiermee menen we voldoende onze meening toegelicht te hebben en we geloven dat er grond genoeg is om het volgende staande te houden:
dat er, toen Christus dit zei, geen oordeel plaats had over Satan en deze toen niet buitengeworpen is, maar dat de wereld, bijzonder Israëls godsdienstige wereld, een uitspraak deed;
dat de Overste dezer wereld niet Satan is maar Christus;
dat het buitenwerpen plaats vond door en in Zijn verwerping, kruisiging en dood;
dat het nu vervuld werd op dezelfde dag dat het werd gezegd (naar Hebreeuwsche dagrekening dan);
dat de overgang in persoonsaanduiding niet vreemd is in de Evangeliën;
dat de wereld in Christus niets gehad heeft dat haar begeerlijk voorkwam;
dat de Heilige Geest de wereld niet overtuigd heeft, maar haar wel het bewijs geleverd heeft van haar onrechtvaardige beslissing door Christus’ opstanding.
Men noeme dus Satan niet (meer) de Overste dezer wereld maar de Overste dezer eeuw d.i. van deze wereldsontwikkelingsgang. Van de volgende is hij het niet meer. Ook daarom is hij niet de Overste dezer wereld. In de toekomende aioon heerst Christus als Overste over de Koningen der aarde.
|
|
|
|
|