|
|
OM EN OVER DE VERBORGENHEID
door
G.J.P.
Enige korte uiteenzettingen over
de grote Verborgenheid aan
de Apostel Paulus geopenbaard
EERSTE VIERTAL
I. Volgorde van Paulus' Brieven.
II. Jood, Heiden, Gemeente Gods, Gemeente die Zijn Lichaam is.
III. De « Lichamen » van Corinthe en Efese.
IV. De Verborgenheid in God.
Het kan onderzoekende Bijbellezers veel baten als zij steeds de volgorde van Paulus'
Brieven in het oog houden. Velen menen dat dat de orde is waarin zij in het N.T.
staan. Romeinen staat daarbij voorop, Hebreeën achteraan. Maar dat is de tijdsorde
niet.Hiermee komt alles in een ander licht te staan. Voor we dat nagaan geven we
enkele vooropmerkingen.
- We kunnen niet precies de jaartallen opgeven waarin Paulus' Brieven verschenen
zijn. De opgaven daarvan wisselen enigszins af. De jaartallen die wij hier geven,
zijn ontleend aan de Companion Bible, doch nogmaals zij gezegd, niet absoluut vaststaande.
Zij zijn benaderd. Waarvan wij echter wel zeker zijn, is dat Thes., Kor., Gal.,
Rom vóór Hand. 28 geschreven zijn en Ef., Fil., Kol. 2 Tim. er nà.
- We plaatsen Hebreeën bij Paulus' Brieven al zegt de Schrift niet dat hij de
schrijver is. We weten van die Brief ook niet zo juist de volgorde. We plaatsen
hem achter 2 Thes., waar hij steeds voorkomt in de oudste handschriften.
- We weten niet precies de volgorde van 2 Cor. en Galate.
- We weten niet precies wanneer 1 Tim. en Titus geschreven zijn. Er wordt ook aangenomen,
dat zij vóór Israëls geestelijke verwerping zijn geschreven.
We zetten ze apart, evenals Filemon, dat wel geschreven is na Paulus' komst in Rome,
maar niet tot Paulus' leerstellige Brieven behoort. Een en ander in het oog houdende
krijgen we het volgende: Paulus' Brieven (daarbij ook Hebreeën rekenend) zijn
met het oog op zijn reis naar Rome in twee reeksen in te delen: Die welke hij schreef
voor hij in Rome was, die welke hij van daaruit of daarna schreef. Dit is van belang
met het oog op de tweeërlei bedeling waarin Paulus werkte, n.l. die vóór
Hand. 28 en die daarna, dat is: vóór en na zijn gevangenschap. In
de eerste bedeling schreef hij (met Hebreeën mee dan) zeven Brieven, n.l.:
|
1. I Thessalonicenzen
|
"
|
± 52 na Christus
|
|
2. II Thessalonicenzen
|
"
|
± 53 na Christus
|
|
3. (Hebreeën)
|
"
|
± 54 na Christus
|
|
4. I Corinthe
|
"
|
± 57 na Christus
|
|
5. II Corinthe
|
"
|
± 57 na Christus
|
|
6. Galate
|
"
|
± 57-58 na Christus
|
|
7. Romeinen
|
"
|
± 58 na Christus
|
Deze 7 Brieven zijn Paulus' Oudste Brieven, geschreven in een periode van ongeveer
7 jaar, en wel gedurende de tijd die het Boek der Handelingen beschrijft. Dit was
voor Israël de tijd der Pinksterbedeling. Nu volgt er een tijd van rus voor
Paulus' pen. Ongeveer 4 jaar. Gedurende die tijd schrijft Paulus niet aan de Gemeenten.
Hij was 2 jaar gevangen in Cesarea en enige tijd in Rome. Daar spreekt hij het oordeel
uit over Israël buiten het Land., hij sluit daarmee voorlopig de deur van het
Koninkrijk der Hemelen voor Israël toe. Hij citeert voor de derde maal Jes.
6:9 en 10, iets wat de Here Jezus reeds tweemaal eerder gedaan had (Mt. 13:14, 15
en Joh. 12:40). Dit maakt een einde aan de Pinkstertijd, Israël is ter zijde
gezet, de nationale verschillen houden op. Het « eerst de Joden » (Rom. 1:16) verdwijnt
(Ef. 2:14, Col. 3:11). Tevens houdt de prediking van het aan Israël op te richten
koninkrijk en de gaven, talen, tekenen, wonderen, profetieën, enz. op. Het
lichaam van 1 Cor. 12, dat wat « ten dele » en alleen als zodanig bestaan kon, houdt
ook op. Nu komt het volmaakte, 1 Cor. 13:8-11. Ter inleiding hiervoor geeft god
nieuwe dienaren Ef. 4:8-11. Zij bleven slechts totdat men kwam tot de volkomen man.
Van nu af wordt verkondigd dat Christus Hoofd is over boven alle dingen, Ef. 1:19-23,
2:5, 6. Een nieuwe bedeling begon, die der verborgenheid Ef. 3:1-11 (in vs. 9 leze
men voor: gemeenschap: bedeling) of der genade Gods, 3:2. Deze bedeling is nimmer
voorzegd in het O.T., de Evangeliën en Paulus' Oudste Brieven (de 7 reeds genoemde).
Ze was verborgen in God, Ef. 3:9, Col. 1:25-27, dat is: nergens geopenbaard in de
Schrift. En werd dat voor het eerst aan Paulus. Voor die bedeling of met het oog
daarop schreef hij 4 andere Brieven. De andere staan meer apart, terzijde, iets
wat hier niet nader ontvouwd kan worden. Deze Brieven met hun mogelijke datums zijn:
|
1. Efeze
|
± 62 na Chr.
|
|
|
|
2. Colosse
|
± 62 na Chr.
|
|
|
|
3. Filippensen
|
± 62 na Chr.
|
|
|
|
|
|
4. Filemon
|
± 62 na Chr.
|
|
|
|
5. Titus
|
± 67 na Chr.(?)
|
|
|
|
6. I Timotheus
|
± 67 na Chr.(?)
|
|
7. II Timotheus
|
± 68 na Chr.
|
|
|
Dit zijn Paulus' Latere Brieven, mogelijk ook geschreven in een periode van 7 jaar.
Ef.-Col.-Fil. openen de nieuwe bedeling en handelen over Lichaam, Hoofd en Nieuwe
Hoop. 2 Tim. spreekt van de geschiedenis, tegenstand tegen en taak van de leiders
in de nieuwe bedeling. Daarnaast, mogelijk de inleiding of voorbereiding, staan
Titus en 1 Tim., die spreken over het gemeen(schappelijk) geloof, Filemon geeft
een kijk in Paulus' gevoelens en genegenheden en is: Ter navolging. Waartoe is het
nodig een en ander hiervan te weten. Om niet tot de gedachte te komen dat b.v. 1-2
Thessalonicensen geschreven is na Romeinen of Efese. Men zie in Paulus' Brieven
een gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid wat de geestelijke waarheden betreft,
een overgaan van hoop tot hoop en een overbrengen of opheffen van praktikale aangelegenheden
wat wandel en gemeente inrichting betreft. Gaan we ook dit kort na. Het sterven
van Christus voor de zonde in 1 Corinthe gaat over in het sterven en opstaan met
Hem in Romeinen en het gezet worden onder de overhemelse in Efese. De hoop van de
opname van 1 Thess. 4 gaat over in de hoop van Ef. 1:18 en 4:4, het mede gezet worden
onder de over-hemelsen (Ef. 2:6) en het met Hem zichtbaar worden in heerlijkheid
(Kol. 3:4); het voor Christus' rechterstoel geopenbaard worden van 2 Cor. 5 wordt
nu een heilig en onberispelijk zonder smet of rimpel voor Hem gesteld worden; terwijl
de prijs van 1 Cor. 9:24 vervangen wordt door de prijs der roeping Gods die boven
is (Fil. 3:14). De praktikale gemeentelijke voorschriften van 1-2 Cor. worden vervangen
door die van Ef.-Col. Uiteindelijk wordt de positie van hem aan wie als getrouw
man de leer van Paulus' woorden wordt toebetrouwd getekend in 2 Tim. We vernemen
daarin tevens dat Paulus de prijs behaald heeft en bereikt heeft het aan Christus'
dood gelijkvormig worden. Dit leidt tot het ontbonden worden en bij Christus zijn,
het verreweg het beste (2 Tim. 4:6 en Fil. 1:23).
|
De meeste verschillen ontstaan door niet voldoende te letten op de dingen die verschillen
en het verkeerd plaatsen der waarheid. Er zijn er die alles vereenzelvigen en daardoor
heel geen perspectief hebben. Anderen zien verschillen maar niet genoeg. Weer anderen
trekken deze niet consequent door. Zodoende ontstaat allerlei verdeeldheid. We
willen enkele dingen onder het oog zien die een en ander kunnen ophelderen. In 1
Cor. 10:32 geeft Paulus een drievoudige indeling voor die tijd. Hij spreekt van
de Jood, de Heiden en de Gemeente Gods. Met « de Jood » bedoelt hij Israël, met
de Heiden de Heidenvolken, met de Gemeente Gods de uit beide in Christus gelovig
gewordenen. Wat voor de « Jood » is, moet voor de « Jood » blijven. De Christenheid
heeft zich vele beloften, voor Israël bestemd, onrechtmatig toegeëigend
en de hogere voor haar bestemde beloften uit het oog verloren. Voor de « Jood » zijn
de meeste O.T. beloften. Voor hem is het Land, Gen. 13:15, 15:18-20, zijn de « beloftenissen
der vaderen », Rom. 15:8, voor hem is Jeruzalem de stad des groten Konings, Mt. 5:35,
voor hem is de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst Gods en de beloftenissen.
Rom. 9:4. Voor hem is het Koninkrijk der Hemelen, met Christus als Koning op de
troon van David, Luk. 1:31-33. Dit alles vormde de inhoud en achtergrond van het
Evangelie des Koninkrijks, een term die slechts drie maal, en wel uitsluitend in
Mattheus, voorkomt; zie Mt. 4:23; 9:35; 24:14. Eerlang komt de tijd, dat Israël
zijn rechtmatig aandeel in de Schriften zal opvragen. Dat aandeel is rijk en breed
en omvat Wet, Profeten, Psalmen, Evangeliën, Algemene Zendbrieven, De Openbaring.
Voor de « Heiden » is er een zegening door de « Jood » de Heidenen zullen eenmaal in
Israël gezegend worden, Gen. 12:3. 22:18. Israël zal God belijden onder
de Heidenen, Rom. 15:9, zullen vroolijk zijn met Zijn volk, Deut. 32:43. De Wortel
van Jessai zal over de Heidenen gebieden, Rom. 15:12. De Heidenen zullen opgaan
naar Jeruzalem om de Koning der Here der heerscharen te aanbidden, Zach. 14:16.
« Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem. En Hij zal rechten
onder de Heidenen en bestraffen vele volken. En zij zullen hun zwaarden slaan tot
spaden en hun spiesen tot sikkelen. Het ene volk zal tegen het andere volk geen
zwaard opheffen en zij zullen geen oorlog meer leren ». Jes. 2:3, 4. Meer nog. « De
volken zullen U, o God, loven, de volken altemaal zullen U loven. De natiën
zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid
en de natiën op de aarde, die zult Gij leiden, Sela », Ps. 67:4, 5. « De Here
heeft Zijn heil bekend gemaakt, Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de
ogen der Heidenen », Ps. 98:2. Christus zal zijn een licht tot verlichting der Heidenen
en tot heerlijkheid van Zijn volk Israël, Luk. 2:32. Voor de « Gemeente Gods »
zijn er andere beloften. Zij bestond in Paulus' dagen uit Joden en Heidenen. De
Jood had de voorrang wat prediking betreft, Rom. 1:16, beide stonden wat geestelijke
staat betreft voor God gelijk, allen hebben gezondigd, Rom. 3:23. God is niet alleen
een God der Joden maar ook der Heidenen, Rom. 3:29. Hij rechtvaardigt de Besnijdenis
uit het geloof, de Voorhuid door het geloof, 3:30. Beide worden gezegend met de
gelovige Abraham, die een vader is van Besnijdenis en Voorhuid, Rom. 4:10, 12, Gal.
3:9. Die uit het geloof zijn, zijn Abrahams kinderen, Gal. 3:7, zij zijn erfgenaam
der wereld, Rom. 4:13, dat is der hemelen en der aarde, zij worden als de sterren
des hemels, Gen. 15:5, 1 Cor. 15:41, zij zullen het beeld van de Overhemelse dragen,
vs. 40 en Rom. 8:29.
Deze Gemeente Gods was in verschillende plaatsen 'n lichaam, wanneer zij alle tekenen,
wonderen, talen, enz. had die in 1 Cor. 12 genoemd worden. Deze wonderen waren niet
blijvend eigen aan deze groep, maar tijdelijk om Israël tot jaloersheid te
verwekken. Ze waren geen bewijs van geestelijke volmaaktheid, want Paulus noemt
de bezitters jongen kinderen in Christus, 1 Cor. 3:1, vleeschelijk, het volmaakte
moest voor hen nog komen, 1 Cor. 13:10. Voor het evangelie voor de Gemeente Gods,
bijzonder het evangelie Gods genoemd, dat een kracht Gods is tot zaligheid, (behoudenis)
een iegelijk die gelooft, Rom. 1:16, wordt Paulus afgezonderd. De Heiden wordt hierbij
op Israëls olijfboom ingeënt, Rom. 11. In de Romeinerbrief vindt men van
deze groep de breedvoerigste uiteenzetting wat positie en bedeling betreft. Geestelijk
staan Jood en Heiden op één lijn, daarin is geen Jood noch Griek,
dienstbare of vrije, man of vrouw, allen zijn één in Christus, Gal.
3:28. Wat de aardse toestanden betreft, staat de Heiden achter bij Israël,
is er een middenmuur des afscheidsels, de uiterlijke vormen der wet, de hele ceremoniële
dienst. Voor de Gemeente Gods is 1-2 Thess., 1-2 Cor., Galate, Romeinen, Hebreeën.
« De Gemeente die Zijn Lichaam is » is een openbaring die Paulus kreeg nadat hij 1
Cor. 10:32 geschreven had. Deze groep is een bepaalde uitverkiezing en bestaat uit
personen uit de gehele mensheid. Heidenen zowel als Joden. Zij worden niet alleen
een nieuwe schepping, 2 Cor. 5, maar een volkomen man Ef. 4:13. Van deze groep is
Christus het Hoofd. De Leden van het Lichaam zijn door een levende organische betrekking
aan Hem verbonden. Deze wordt niet uitgedrukt in die van bruidegom tot bruid, maar
in die van hoofd tot leden. Er ontstaat niet een nieuwe vrouw (de Bruid) maar een
nieuwe man, Ef. 2:15. Er komt een nieuwe hoop, het mede-zetten onder de over- (of
op-) hemelsen, Ef. 2:6. Deze Gemeente is een absolute verborgenheid geweest in God,
nimmer voorzien, nimmer afgeschaduwd. Het aantal leden si tevoren bepaald. In zoverre
was Kalvijn juist. Zijn niet zien van de groepen door Paulus in 1 Cor. 10:32 aangegeven,
is oorzaak van verwarring geworden. Over deze groep handelt Ef., Col., Filipp. en
ook 2 Tim. Paulus' lijn is een stijgende lijn. Naarmate Israël achterblijft,
snelt hij vooruit. De Christenheid heeft gemeend, dat Israëls lijn op haar
is overgegaan, dat zij het Israëls Gods is geworden. Een beeld moge deze gedachte
wegnemen. Bij een dal ligt een berg. In het dal staan huizen, kerken, scholen enz.
Daar komt een bergbestijger. Deze komt niet om de inrichting, bouw en stijl te onderzoeken
van de gebouwen, maar om op de berg waarnemingen te doen, panorama's op te nemen.
Hij spreekt dus niet over de beneden hem staande huizen, hij geeft nieuwe perspectieven.
Van boven af. Zo is Paulus te bezien. Hij laat de O.T. profetie voor Israël
staan om een hogere visie te geven. Hij ontkent de vervulling niet. Integendeel,
hij spreekt er van (Rom. 11). Maar hij brengt over het geheel wat anders, niet iets
dat het vorige opheft, maar dat het geheel van uit een andere sfeer beziet. Voor
hem is er de Jood, de Heiden. Maar als derde de Gemeente Gods. En hierbij blijft
het niet. Paulus krijgt door de Geest nog een hogere sfeer te zien: De verborgenheid
aller eeuwen. Wordt hiermee nu soms de tweede opgeheven. Ook dat niet. Achter de
top daarvan openbaart God hem een nog hogere top. Daarvoor laat Paulus alles achter.
Maar juist omdat hij het achter laat, is het niet opgeheven, maar blijft op zijn
plaats. Paulus' leer heft niet op maar verheft zich. Ver boven alles. Daarmee bevestigt
hij juist het andere maar beziet het in ander licht. Wie Paulus zo beziet, kan de
Schrift gaan verstaan. De zegeningen blijven, maar zijn menschelijkerwijs bezien,
uitgesteld. Voor God komen ze te bepaalder tijd. Jood, Heiden, Gemeente Gods en
Lichaam van Christus zijn in de toekomst de 4 grote factoren, die in de schepping
naar voren zullen treden.
|
Vele gelovigen hebben geen recht inzicht in het verschil tussen Corinthe en Efese
met name tussen de daar genoemde lichamen. We willen er een korte uiteenzetting
van geven. Paulus diende in twee bedelingen. (Zie hiervoor: Volgorde van Paulus'
Brieven). Indien de openbaring, ons in Efese gegeven, verborgen was in God tot op
de tijd dat ze hem in Rome geopenbaard werd, kan het Lichaam van Corinthe niet het
Lichaam van Efese zijn. Het Lichaam van Corinthe maakt een deel uit van de raad
Gods, Hand. 20:27 en deze omvat de dingen vanaf de nederwerping (St. V. grondlegging)
der wereld. Het Lichaam van Efese dateert van vóór de nederwerping
en omspant het voornemen der eeuwen (St. V. eeuwig voornemen, Ef. 3:11). Het Lichaam
van Corinthe is uitwerking van wat reeds in het O.T. geopenbaard was, n.l. dat God
Israël tot jaloersheid zou verwekken door diegenen die geen volk zijn, Deut.
32:21, het is een deel der zegeningen reeds aan Abraham beloofd, Gen. 12, dat in
hem en Zijn Zaad alle volken zouden gezegend worden. God deed dus een dubbel ding:
Hij verwekte Israël tot jaloersheid en begon de Abrahamietische beloften te
vervullen. Beide waren geopenbaard. Het Lichaam van Ef. echter is niet geopenbaard
in het O.T., noch in het N.T. tot op Paulus, het was verborgen in God. Het Lichaam
van Cor. was alleen een Lichaam in zoverre het een samengroepering was van gelovigen
die allen een of meer gaven hadden die andere groepen niet alle in volheid of in
personen hadden. Die groep kon Paulus het best illustreren door een aards, menselijk
lichaam. Het hoofd ervan werd gevormd door de apostelen, was dus meervoudig, de
overige leden waren profeten, leeraars, krachten, gaven der gezondmaking, behulpsels,
regeringen, menigerlei talen en andere gaven. 1 Cor. 12:28.
1. Het woord der wijsheid
|
1. Apostelen
|
|
2. Het woord der kennis
|
2. Profeten
|
|
3. Het geloof
|
3. Leeraars
|
|
4. Gaven der gezondmakingen
|
4. Gaven der gezondmaking
|
|
5. Werking der krachten
|
5. Krachten
|
|
6. Profetie
|
6. Behulpsels
|
|
7. Onderscheiding der geesten
|
7. Regeringen
|
|
8. Menigerlei talen
|
8. Menigerlei talen
|
|
9. Uitlegging der talen
|
9. (andere leden)
|
Wanneer al deze gaven in één gemeente voorkwamen en het haar aan geen
gave ontbrak, 1 Cor. 1:7, dan kon er sprake zijn van het tot een lichaam gedoopt
zijn en het vele leden hebben. Er waren in die tijd meer van zulke « Lichamen », zie
Rom. 12:5. Onder « lichaam » versta men een geheel welks leden harmonisch op elkaar
aangelegd waren en die elkaar nodig hadden om een « lichaam » te kunnen vormen. Al
die plaatselijke « lichamen », de gelovigen van al die gemeenten samen, vormden voor
God een groep. Deze was niet de Gemeente die Zijn (Christus) Lichaam is, maar: de
Gemeente Gods. De Schriftlezer late zich niet in de war brengen door de St. V. die
in 1 Cor. 12:27 zegt: « Gij lieden zijt het lichaam van Christus ». Er staat: Gijlieden
zijt lichaam van Christus en leden in het bijzonder, d.i.; ten dele, zelfde woord
als in 1 Cor. 13:9. Dit wil zeggen: Gij zijt 'n Lichaam dat Christus toebehoort,
dat van Hem is. Er wordt niet gezegd, dat zij zijn de Gemeente die Zijn Lichaam
is. maar dat zij 'n lichaam zijn, d.i.: een op elkaar aangelegde groep die Hem toebehoort.
(Zie Gal. 3:29 « van Christus »). Het « hoofd » van Cor. is niet Christus, maar de leidende
apostelen onder wie Paulus en Silas de eersten waren. Het Lichaam van Efese heeft
slechts één Hoofd, Christus. Het is geen plaatselijke of aardse gemeenschap,
maar een geestelijke eenheid van Leden die elkaar vaak naar het aangezicht, ja naar
naam en persoon niet kennen doch met elkaar reeds nu een onzichtbare eenheid vormen
wijl zij allen één Hoofd hebben en eenmaal ook in openbaringsvorm
een eenheid zullen vertonen. Zij worden veelal afzonderlijk door de Geest toebereid,
hebben één geloof, één hoop, één doop
(die des Geestes) en zien uit naar de heerlijkheidsfeer, waar Christus nu is, ver
boven (Gr.: boven over) alle dingen. Lichamen als Cor. bestaan thans niet meer.
De gaven mogen nog nagewerkt hebben, de eenheid en combinatie was er niet meer.
Paulus zegt in 1 Cor. 13:8, dat profetieën, talen, kennis zouden ophouden of
teniet gedaan worden en dit, wanneer het volmaakte zou komen, vs. 10. Dat volmaakte
kwam na Israëls terzijdezetting en de openbaring van de Efeser waarheid. Het
Lichaam van Efese opent een nieuwe bedeling. Daarin staat God zonder enige tussenbemiddeling
van een volk, priester, bediening, doch alleen door Zijn Geest, in gemeenschap met
de geroepenen tot Zijn wonderbaar licht. Alle inzettingen zijn voor hen afgeschaft,
Col. 2:20, men moet alleen vasthouden aan het Hoofd, Col. 2:19, de tweestrooming
van vroeger, van Jood en Heiden, is verdwenen. Het Lichaam van Cor. is een mystieke
groep die Broeders des Heren zijn, Rom. 8:29, dat van Efese is een volkomen Man,
Ef. 2:15, 4:13, is de mystieke Christus Zelf. Het Lichaam van Cor. heet niet hét
Lichaam van Christus, maar: Lichaam van Christus. Deze term komt slechts voor in
1 Cor. 12:27; Gij zijt Lichaam van Christus (Grieks). Zoals gezegd wordt, dat de
vrouw lichaam des mans is omdat beiden een eenheid vormen, maar zij daarom nog niet
het hét lichaam des mans is, zo heet die groep: Lichaam van Christus, niet:
hét Lichaam van Christus. Deze term: het Lichaam van Christus dus vinden
win in Ef. 4:12, het Lichaam in Ef. 4:16, 5:23, Zijn Lichaam in Ef. 1:23, 5:30,
één Lichaam in Ef. 2:16, 4:4; Samenlichaam in Ef. 3:6, het gehele
Lichaam in Ef. 4:16, samen 9 maal. Het Lichaam van Cor. is een groep voor de hemelen,
het krijgt tot verblijfplaats het Vaderhuis, is als de sterren des hemels, Gen.
15:5, wordt door Christus gezegend met de gelovige Abraham, Gal. 3:9, is Abrahams
geestelijk zaad, Gal. 3:29, behoort tot het Jeruzalem dat Boven is, Gal. 4:26, gaat
de Here tegemoet in de lucht 1 Thess. 4:13-17, wordt erfgenaam der wereld, 1 Cor.
6:2, Rom. 4:13.
Voor deze groep zijn geschreven de Brieven aan de Thess., Cor., Gal., Rom. en Hebreeën.
Het Lichaam van Efese heeft zijn positie onder de over-hemelsen, grondtekst van
Ef. 1:3, 20; 2:6; 3:10; 6:12, boven over alle dingen, grondtekst Ef. 1:21. Het heeft
een roeping voor Boven, grondtekst Fil. 3:14. Voor deze uitverkoren groep is Ef.,
Col., Filipp., Filemon en 2 Tim. geschreven. (Als ingang en voorbereiding er voor
dienen mogelijk Titus en 1 Tim.). In het Lichaam van Cor. zijn tekenen en gaven.
Er worde er 9 genoemd, die tenietgedaan zijn, niet vanwege het niet meer nodig zijn
of het verbeurd hebben, maar omdat God het volmaakte deed komen. Het had zegeningen
voor de aarde. In het Lichaam van Ef. zijn geen gaven. Zij zijn als Lichaam genomen
geheel afwezig. Het ontvangt alleen geestelijke zegeningen, in Christus, onder de
overhemelse, Ef. 1:3. In het Lichaam van Cor. is er leiding door Geestesgaven, door
openbaringen, profetieën, enz. 2 Cor. 12, Gal. 2, 1 Cor. 12, in het Lichaam
van Ef. is er Geestesleiding, het vervuld worden met het woord van Christus, Col.
3:16, een spreken der verborgenheid van Christus, Col. 4:3. De rechte snijding van
het Woord en het contact door de Geest met God zijn de hoogste gaven voor deze groep.
Het Lichaam van Cor. behoort tot de sfeer, waarin twee bedelingen parallel lopen,
n.l. de Pinksterbedeling voor Israël en de bedeling der rechtvaardiging voor
allen dien in Christus het einde der wet en het Zaad van Abraham zien, 2 Cor. 3,
Rom. 10:4, Gal. 3:16. Het vindt zijn goede tijding in het evangelie Gods. Het Lichaam
van Ef. behoort tot de bedeling der verborgenheid. Het vindt zijn bediening in het
evangelie der genade Gods, Ef. 3:2 dat ingeleid wordt door het evangelie der heerlijkheid
van Christus, 2 Cor. 4:4. Het Lichaam van Cor. is uitwerking van de raad Gods, Hand.
20:27. Deze omvat de wereld der mensheid. Het Lichaam van Efese is uitwerking van
het voornemen der eeuwen (St. V. eeuwig voornemen, Ef. 3:11). Dit voornemen omspant
het heelal. Het Lichaam van Cor. wacht op de dag des Heren, der openbaring van Christus,
1 Cor. 1:7, 1 Thess. 4:13-17, 2 Thess. 2. Het kan alleen weer ontstaan als Israël
in zijn land 's Heren wederkomst gaat inwachten, dus de hoop Israëls weer levendig
wordt, want de opname de Here tegemoet is een onderdeel van 's Heren wederkomst.
Het Lichaam van Ef. verwacht het mede gezet worden onder de over-hemelsen, Ef. 2:6.
Dit geschiedt in de dag van Christus, Fil. 1:6, 10, 2:16. Voor de prijswinnaars
heeft de hoop, het bij Christus zijn, zich al eerder verwezenlijkt door de uitopstanding,
Fil. 3:11 (St. V. wederopstanding). Dat is het ontbonden worden en met Christus
zijn.
|
Nog nimmer heeft God in volheid de aan Abraham gedane beloften uitgewerkt. Deze
houden in: Abraham en zijn natuurlijk zaad krijgt het gehele land Kanaän tot
in eeuwigheid, Gen. 13:15, 16; 15:18-21; 17:6-8; in hem, d.i. in zijn persoon, door
hemzelf, en tevens door zijn geestelijk zaad, zullen alle volken der aarde gezegend
worden, Gen. 12:3, 15:5, 6; 17:4, 5; 22:16-18. De Hervorming heeft gemeend, dat
de Kerk voortzetting was van Israël: de nationale windselen waren afgelegd.
Ze kon dat alleen door de profetieën te vergeestelijken en aan Israël
niet te laten wat God belooft heeft. Zo is een chaos ontstaan, die men allee kan
ontkomen door de Schrift ongebroken te aanvaarden en de vervulling van de O.T. beloften
en profetieën in een latere periode te stellen. Tussen Israëls verwerping
en aanneming, Rom. 11, heeft God een bedeling ingeschoven, waarover Hij nimmer te
voren gesproken heeft, de bedeling der genade Gods, Ef. 3:2 of der verborgenheid,
Ef. 3:9 grondtekst (gemeenschap moet zijn: verborgenheid). Deze begon toe God bij
monde van Paulus Israël in Rome terzijde zette en zij zal eindigen als God
Israël weer als Zijn volk zal erkennen, iets wat nog toekomstig is. Ze vult
dus mede de tijd van Israëls verharding. In deze bedeling der verborgenheid
bereidt God een groep toe uit alle Volken die met Christus aan Zijn Rechterhand
gezet wordt boven over alle dingen. In zichzelf niet dan veroordeelenswaardige zondaars,
schenkt God deze groep de hoogste genade, reden waarom Hij dan ook spreekt van de
bedeling der genade, de uitdeelingssfeer Zijner genade. Deze verschilt van de genade
in het algemeen doordat zij ten hoogste opvoert en zet boven over alles. De ontvouwing
vinden we in de Brieven aan Efese en Colosse en verder in Filippensen. Deze positie
werd nog niet ingenomen door de Gemeente Gods van 1 Cor. 10:32. Deze wachtte op
de openbaring van Christus. Het « Efeser lichaam » wacht op het mèt Hem geopenbaard
worden, Col. 3:3, 4. Deze verwachting wordt verward met de opname der gemeente van
1 Thess. 4. De Christenheid in het algemeen meent, dat er maar één
Gemeente is. Die omvat dan alle gelovigen vanaf Adam tot op de laatste uitverkorene.
Dit nu is niet zo, er zijn verschillende groepen. De groep die Lichaam van Christus
is, was een verborgenheid in God, nimmer te voren geopenbaard. Hiertoe behoort geen
enkele O.T. gelovige. Dit Lichaam kon eerst gevormd worden nadat Christus aan Gods
Rechterhand was gezeten en nadat God die absolute verborgenheid aan Paulus geopenbaard
had. Dit geschiedde eerst in Rome in zijn gevangenschap. Dat was nadat 1 Thess.
4 geschreven was. Men zal ons vragen tot welke groep dan de andere O.T. en vele
N.T. gelovigen behoren. Het antwoord is dit: zij behoren tot de geslachten der hemelen
als zij met de gelovige Abraham of tot de geslachten der aarde, als zij in Abraham
gezegend worden, Ef. 3:15, Gen. 12:3, 22:18, Hebr. 11:11, 16, 1 Cor. 15:40. Men
houdt hierbij wel in het oog dat hoewel allen op dezelfde wijze behouden worden,
n.l. door Christus' verlossingswerk, niet allen tot dezelfde sfeer of heerlijkheid
geroepen worden. Het Lichaam van Christus is een groep uitverkoren vóór
de grondlegging, Gr.: nederwerping der wereld. De Leden worden door de Heilige Geest
van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd om eindelijk tot Hem in heerlijkheid
opgenomen te worden. Een enkel woord van toelichting zal hier nodig zijn, daar er
door het niet recht snijden der Schrift grote verwarring heerst. Velen voelen iets
van die heerlijkheid maar werken ze verkeerd uit. Laat ons nagaan. Het opnemen in
heerlijkheid ziet het Russellisme plaats vinden op het sterfbed (doch eerst sinds
1874), het Darbisme, het Calvinisme, Lutheranisme en Katholicisme (indien de gelovige
ziel bij dit laatste tenminste niet naar het vagevuur gaat) eveneens reeds bij de
dood. Allen verliezen uit het oog dat men eerst na de opstanding bij de Here kan
zijn (1).
(1) Dit zegt Paulus duidelijk in 1 Thess. 4:16, 17.
Daarbij zijn de doden in de Hades en Christus is daar nu niet meer. Zij doen dus
te kort aan de leer der opstanding. Dit geschiedt evenzo door het Maranathaïsme.
Verder verplaatst het Darbisme het einde van het Lichaam naar 1 Thess. 4 en moet
daarvoor de Schrift geweld aandoen door dingen te leren, niet eigen aan de Schrift,
b.v. door de rechterstoel van Christus in de lucht te stellen waar hij niet is,
door te leren dat de Wederhouder de Heilige Geest of de Gemeente is, wat de Schrift
niet zegt, door de opname van 1 Thess. 4 te stellen voor dat de toekomende toorn
aanvangt, wat de Schrift ook niet leert. Het Russellisme verwart de groep van Thess.,
en Cor. met het Lichaam en leert onschriftuurlijke dingen over Christus' wederkomst;
het meent, dat Hij onzichtbaar zal zijn en blijven. Het Calvinisme enz. onderscheidt
de groepen niet en houdt de lijnen niet uit elkaar. Voor de Leden van het Lichaam
die met Paulus de loopbaan mogen voleindigen, die de geestelijke volmaaktheid in
Christus mogen bereiken, is er iets anders. Geen wegrukking, maar het lichamelijk
medegezet worden onder de over- (of op-) hemelsen Ef. 2:6 vóór Christus
de groep van 1 Thess. 4 opneemt. Alle leden sterven eerst zoals hun Hoofd en er
heeft geen opname van levenden plaats in die groep. We ontkennen de heerlijkheid
niet die stervenden zien of horen, we ontkennen de vervulling, niet eenmaal, maar
bij het sterven. Evenmin als er nu al een nieuwe hemel en aarde is, alhoewel Johannes
die reeds 19 eeuwen geleden zag, evenmin wordt de stervensvisie direct werkelijkheid
al zien de stervenden heerlijke gezichten.
Men zal vragen of dan thans nog niemand « ontbonden en bij Christus » is. We antwoorden
hierop volmondig ja, doch dit is alleen verkregen door het jagen naar de prijs der
roeping Gods die Boven is. Dat is de uitopstanding, in de S.V. genoemd de wederopstanding,
de persoonlijke opstanding kort na de dood, bereikt door het jagen er naar Fil.
3:10, 11. Deze prijs kan behaald worden door het gestadig zien op de Overste Leidsman
en Voleinder des geloofs Christus, door een doden der leden die op de aarde zijn
en een inwonen van Christus in het hart die tot alle volheid vervult. dit leidt
tot een gestadige ontlediging en een opwassen in het Hoofd, een uitwerken van wat
God inwerkt, een met vreze en beven uitwerken van zijns zelfs zaligheid, een jagen
naar de volmaaktheid, een grijpen waartoe men gegrepen is. De Verborgenheid in God
heeft dus twee zijden. Het is een bedeling waarin God het Lichaam van Christus vormt
en een groep die met het Hoofd in levende gemeenschap staat en die met Hem gezet
boven over alle dingen en die tevens een prijs in het vooruitzicht stelt, het ontbonden
worden en bij Christus zijn. Dat ontbonden worden is niet de scheiding van ziel
en lichaam, maar het kort na de dood losgemaakt worden vanuit de doden. Zo is deze
verborgenheid rijker dan de opname, consequenter naar de Schrift dan Russellisme
en Calvinisme, enz. en meer tot heerlijkheid van God, Die door de dood heen leidt
tot het Hoofd. Ze is in alle opzichten ver boven al het vroeger geopenbaarde. Men
onderscheide dus wel. In de Corinthergroep is de hóóp: de verandering
in een punt des tijds en het de Here tegemoet gaan, hetzij levend, hetzij na eerst
opgewekt te zijn. De prijs is het mogen schitteren in de grootste heerlijkheid van
de sterren, het ten volle behouden zien blijven van het werk voor Christus' rechterstoel,
1 Cor. 3:11-15. In de Efeser groep is de hoop het met Christus gezet worden in het
overhemels koninkrijk 2 Tim. 4:18 grondtekst. Ef. 2:6, 7. Dat is reeds geschied
vóór Hij Zich gaat openbaren, omdat het Lichaam eerst bij Hem moet
zijn vóór Hij wederkomt om met Hem zichtbaar te worden (Col. 3:4).
De prijs is de uitopstanding, het gelijkvormig worden aan Zijn dood, waarnaar Paulus
jaagt, Fil. 3:10, 11 en wat leidt tot een spóédige opstanding. dat
is het ontbonden worden en bij Christus zijn.
|
|
|