|
|
INLEIDING TOT DE VERBORGENHEID
door
G.J.P.
I. De Evangeliën en Israëls Beloften.
II. Het Evangelie des Koninkrijks.
III. Het Evangelie der Voorhuid en dat der Besnijdenis.
IV. Het Evangelie der Voorhuid « Mijn Evangelie ».
Enige korte aanwijzingen over het evangelie der Besnijdenis en der Voorhuid.
Christus kwam niet allereerst om de « Kerk » te stichten. Hij Zelf getuigde, dat Hij niet gekomen
was om de Wet of de Profeten te ontbinden maar om die te vervullen, Mt. 5:17. « Want voorwaar zeg
Ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch
één tittel van de Wet voorbijgaan totdat het alles zal zijn geschied ». Paulus noemt
Hem in Rom. 15:8 een dienaar der Besnijdenis. Eerst na Israël zouden de Heidenen komen; Rom.
15:9. « en de Heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken ». God zond Hem eerst tot
Israël, om hen te zegenen, Hand. 3:26. Christus verbood Zijn discipelen te gaan op de weg der
Heidenen of in enige stad der Samaritanen, zij moesten alleen gaan tot de verloren schapen van het
Huis Israëls, Mt. 10:5,6. Aan hen moest gepredikt worden het Koninkrijk der Hemelen, vs. 7.
Het is van belang nog nader op het Israëlitisch karakter der Evangeliën te wijzen. Mt.
1:1 opent die sfeer: « Het boek des geslachts van Jezus Christus, den Zoon van David, den Zoon van
Abraham ». Als Zoon van David erft Hij Davids troon, 2 Sam.7, Ps. 89, als Zoon van Abraham heeft
Hij recht op het Land Kanaän, Gen. 12:7, 13:15, 17:8. De Wijzen vragen naar de geboren Koning
der Joden, Mt. 2:2. De zending van Christus' apostelen betreft, zoals gezegd, uitsluitend
Israël, 10:5-7. Elia komt om alles eenmaal weder op te richten, 17:12. En Elia was en is voor
Israël, Mal. 4:5. Alleen voor hen die het Koninkrijk der Hemelen aannamen, kon Johannes als
Elia aangemerkt worden, Mt. 17:11. Boven het kruis stond: « Jezus de Nazarener, de Koning der Joden »,
Mt. 27:37. Markus, hoewel meer de Knecht des Heren uitbeeldende, spreekt mede van het Koninkrijk
van vader David, Mk 11:9, 10. Bij Lukas vinden we hetzelfde Israëlitisch karakter. De Heere
wordt door de engel aangekondigd als Koning over het Huis Jakobs, 1:31-33. Huis Jakobs wijst in
het O.T. steeds Jakobs natuurlijke nakomelingen aan. Zie Gen. 46:27; Ex. 19:3; Jes. 14:1 e.a. Aan
Christus wordt de troon van Zijn vader David gegeven, 1:32. Maria zingt over het opnemen van
Israël, Zijn knecht, 1:54, Zacharias spreekt van het oprichten van een hoorn der zaligheid
(d.i. macht ter behoudenis) in het Huis Davids, 1:69, een verlossing van « onze », d.i. Israëls
vijanden, van een gedenken aan Zijn heilig verbond, van de eed aan Abraham gedaan, van het geven
van kennis der zonden aan Zijn volk, Israël, 1:68-80. Simeon lofzingt over de heerlijkheid
van « Uw volk Israël », 2:32. Hij zelf verwachtte de vertroosting Israëls, 2:25. Anna
sprak tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten, 2:38. De Emmaüsgangers
verwachtten de verlossing van Israël, 24:21. En Christus Zelf zei, dat Hij door lijden tot
Zijn heerlijkheid moest ingaan. Dat is de heerlijkheid die Hij zal hebben op de troon Zijner
heerlijkheid, Mt. 25:31, op de troon van Zijn vader David. Thans zit Hij in de heerlijkheid des
Vaders, zie Op. 3:21. Johannes is eveneens Israëlitisch. Nathanaël ziet Christus als
Koning Israëls, 1:50. Nikodemus moest de dingen die de Heere sprak, weten, 3:10. Hoe kon dat,
als de Heere niet voortzetten en uitwerkte wat het O.T. leerde? De Heere doelde op het geestelijke
en nationale herstel. Zie Ez. 36. Velen uit Israël menen, dat Hij de Christus is, 7:41. Die
komen zou uit het zaad Davids, vs 42. Christus verwijst naar het leven der toekomende eeuw, dat
Hij geven kan en belooft daarin hetzelfde, als wat de Heere deed in Gen. 13:15. Hij spreekt van
het Herder zijn, hfdst. 10 waar Ezechiël ook over spreekt, Ez. 34. Al deze en nog meer
trekken tonen aan, dat Christus werkelijk een dienaar der Besnijdenis was.
Hij kwam tot het Zijne, tot Zijn volk Israël om hen te brengen uit het dienstknecht-zijn tot
het zoon-zijn, uit de toestand van een kind (die in het begin niet verschilt van die van een
dienstknecht, Gal. 4:1) tot de staat van een zoon. Dit is de betekenis van de term: « aanneming tot
kinderen » (letterlijk: het stellen in de zoonstand) Rom. 9:4, wat God met Israël voor had.
Het « mijn evangelie » van Paulus is een aparte lijn waarlangs God naast Israël werkte. Het is
de uitwerking van een voor Israëlitische bedeling en vervat de Abrahamietische beloften,
waarvan het een deel uitmaakt. De belofte echter zelf is rijker. God is veelvoudig in zegening. Om
Paulus' evangelie te verstaan, moet men het nationale van Jood en Heiden laten vallen en opklimmen
tot het bovennationale wat positie betreft. In Christus is noch Jood noch Griek, Gal. 3:28. Zij
die tot deze groep behoren, worden gesteld tot zegen voor de volken, Gal. 3:8. Vanzelf staan zij
er dan boven. Uit een en ander blijkt het verschil met Christus' bediening op aarde voor
Israël. Hij kwam tot het zijne, de Zijnen namen Hem niet aan. Ook niet na de Pinksterdag. Nu
begint God langs een nieuwe lijn te werken, die reeds vroeger in beginsel aanwezig was, maar die
nu ten volle doorgetrokken wordt in door Paulus' bediening en waarvan de voorzetting gevonden
wordt in een bijzondere, later geopenbaarde, verborgenheid. Hiervoor zie men de stukken over: « Om
en over de Verborgenheid »
|
Allerwegen wil men « het evangelie », de goede tijding, verkondigen. Zonder te weten, dat
hét evangelie niet bestaat maar er slechts evangeliën zijn. Men moet steeds vragen:
Wèlk evangelie moet gebracht worden. Eén der evangeliën is het Evangelie des
Konings. Deze term vindt men slechts drie maal, n.l. Mt. 4:23, 9:35 en 24:14. Dus uitsluiten in
Mattheus. Welke inhoud heeft nu dit evangelie? Deze, dat God aan Israël het koninkrijk dat er
vroeger was onder David en Salomo, nog heerlijker en tevens blijvend wil oprichten aan datzelfde
volk Israël. Een der duidelijkste voorzeggingen daarvoor vindt men in Dan. 2:44: « Doch in de
dagen van die koningen zal de God des Hemels een Koninkrijk verwekken dat in der eeuwigheid niet
zal verstoord worden en dat koninkrijk zal geen volk overgelaten worden; het zal al die
koninkrijken vermalen, doch zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan ». Zo ook Dan. 7:27 « maar het
rijk en de heerschappij en de grootheid der koninkrijken onder den ganse hemel zal gegeven worden
aan het volk de heiligen des Allerhoogste » (niet: der hoge plaatsen). Dat was en is nog het goede
nieuws voor Israël. Dat geldt niet voor de « Kerk ». Deze kan zich niet anders dan daarover
verblijden omdat het God is Die dit laat verkondigen en het elk schepsel past, niet alleen Zijn
daden goed te keuren, maar er zich ook over te verblijden. Te meer waar dit de vrede op aarde zal
brengen. In de dagen van Johannes de Doper was het Koninkrijk der Hemelen nabij gekomen. En wel
door de geboorte en de presentering van de Koning. Zijn heraut leidde Hem in bij Israël. Ja
meer, de Koning Zelf kondigt het koninkrijk aan. Een stuk van Zijn vernedering. Welk aards vorst
toch kondigt zijn eigen komst aan in zijn rijk of gewest? En toch moest de Heere dat doen omdat
Zijn voorloper gevangen gezet werd. Wat was de inhoud van Christus prediking? Het O.T. Een korte
beschrijving er van geeft Lukas in hfdst. 4:17-21. Hier vindt men een citaat uit Jes. 61:1 en 2a.
Dan zegt de Heere: « Heden is deze Schrift in uw oren vervuld. » Had Israël in Hem de Beloofde
der vaderen gezien, dan had ook het volgende kunnen plaats hebben, de dag der wrake, een jaar der
vergelding om Sions twistzaak, Jes. 34:8. Het is Israëls eigen schuld dat het onder de macht
der Heidenen gebleven is: het verwierp de van God Gezondene. En te groter is zijn schuld waar
Christus het land doorging, goed doende: « En Jezus omging geheel Galilea lerende in hun synagogen
en predikende het evangelie des Koninkrijks en genezende alle ziekte en kwaal onder het volk » Mt.
4:23. 9:35.
Al de genezingen wijzen er op, welke toestand er intreden zou als het Koninkrijk werd opgericht.
« Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden en der doven oren zullen geopend worden. Alsdan
zal de kreupele springen als een hert en de tong des stommen zal juichen... », Jes. 35:6. De Heere
wijst de discipelen van Johannes daarop, Mt. 11:5. Men lette er op, dat Jes. 35 spreekt van het
eerst ter wraak komen met de vergelding Gods, « Hij zal komen en ulieden verlossen », Jes. 35:4. De
Heere wilde Israël dus verlossen van al zijn vijanden, Luk. 1:68, 71-75 en Zijn volk rust en
vrede, genezing en heil geven. Dat was de goede tijding voor Israël. Israël verwierp
zijn Vorst. Het bleef daarom in de macht der vijanden. Ook omdat het andermaal de verhoogde Vorst
niet wilde aan nemen. Daarom sneed God zijn lijn af. Voor immer? Het ware verdiend geweest. Dan -
God is rijk in barmhartigheid. Wat voorzegt de Vorst: « En dit evangelie des Koninkrijks zal in de
gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken en dan zal het einde komen », Mt.
24:14. Het einde is het einder van deze eeuw, Gr.: aioon, onjuist vertaald door wereld; Zie Mt.
24:3, 6. Dat wordt de goede tijding voor het weder in gunst aangenomen wordend volk als de tijd
der verharding ophoudt, als het zich tot de Heere bekeert. Paulus leert ons het volgende: « Want ik
wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, (opdat gij niet wijs zijt bij uzelven),
dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal
zijn ingegaan », Rom. 11:25. « Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het
deksel weggenomen », 2 Cor. 3:16. Het Evangelie des Koninkrijks zal dus andermaal gepredikt worden.
In de gehele wereld. Ook dit wordt verkeerd verstaan. Men meent dat het evangelie der behoudenis
eerst in de gehele wereld moet gepredikt worden vóór Christus komt. Het Griekse
woord, door wereld vertaald, is oikoumenè, wat betekent: beschaafde, geordende wereld der
volken, bijzonder die rondom Israël zijn gelegen. Er staat niet, dat die volken dat evangelie
zullen aannemen, er staat, dat het zal zijn tot een getuigenis voor alle volken. Israëls
gelovigen zullen weer gaan prediken, dat de Here zegt: « Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion
den berg Mijner heiligheid », Ps. 2:6. En verder: « Nu dan gij koningen, handelt verstandiglijk, laat
u tuchtigen gij rechters der aarde, dient den Here met vreze en verheugt u met beving », vs. 10,11.
Veel wordt er gesproken over het Koninkrijk der Hemelen, veel over het « het evangelie brengen ».
Men houdt in het oog, dat het Koninkrijk der Hemelen een rijk op aarde is, Israëls
heerschappij over de volken en dat onder Christus als grote Davidszon, aan Wie God dit krachtens
het Davidisch verbond (2 Sam. 7) beloofd heeft. Deze goede tijding zal Israël eenmaal mede
horen en aanvaarden.
|
In Gal. 2:7 staan de opmerkelijke woorden: « Maar daaren-tegen, als zij zagen dat mij het
evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis ». We leren hieruit,
dat Paulus' goede tijding die hij predikte heet: het Evangelie der Voorhuid (d.i. der Heidenen) en
Petrus' boodschap het Evangelie der Besnijdenis, (d.i. de Joden, Israël). De vraag is nu:
Zijn dat Evangeliën met gelijke inhoud, predikte Paulus hetzelfde als Petrus? Wat het
Evangelie der Besnijdenis is, kan men vinden in onze vorige uiteenzetting: Het Evangelie des
Koninkrijks. 't Is een blijmare voor Israël. Na Christus' opstanding is de prediking van dit
evangelie voortgezet. Dat blijkt uit Hebr. 2:3 en 4: « ..hoe zullen wij ontvlieden indien wij op zo
grote zaligheid geen acht nemen. Dewelke begonnen zijnde verkondigd te worden door den Here, aan
ons bevestigd is geworden van degenen die Hem gehoord hebben. God bovendien medegetuigende door
tekenen en wonderen en menigerlei krachten en bedelingen (d.i. uitdelingen) des heiligen Geestes
naar Zijn wil. » Men ziet hieruit, dat wat Christus begonnen heeft, voortgezet is door de apostelen
die Hij, op aarde zijnde, geroepen heeft. God gaf medegetuigenis door de Pinkstergaven. Het
Evangelie des Koninkrijks werd dus voortgezet, alleen het aantal wonderen en tekenen nam toe. Dit
had de Here Jezus dan ook beloofd. « Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden, die in Mij gelooft, de
weken die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerdere doen dan deze want Ik ga henen tot Mijn
Vader », Joh. 14:12: De Here voorzei dus Zijn discipelen, dat zij nog meerder werken, d.i. meerder
in aantal, zouden doen, want Zijn wondertekenen op aarde hielden op nu Hij naar de Vader ging en
zij bleven langer jaren arbeiden dan Hij. Het Evangelie des Koninkrijks werd dus voortgezet en er
werd gesmaakt « Het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw ». Hebr. 6:5. Had het
Evangelie der Voorhuid nu dezelfde inhoud? Laat ons deze vraag niet verwarren met een andere, n.l.
deze: Geschiedde er door Paulus' hand ook wonderen en tekenen en krachten en hadden andere ook
veel dingen gemeen met Israël? Dit laatste moet volmondig toegegeven worden. Barnabas en
Paulus verhaalden te Jeruzalem, « wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de Heidenen
gedaan had », Hand. 15:12. En Paulus kon dan de Corinthiërs schrijven, dat het hun aan geen
gave ontbrak, 1 Cor. 1:7 en aan de Galatieërs: « want Die in Petrus krachtiglijk werkte tot het
apostelschap der Besnijdenis, Die werkte ook krachtiglijk in mij onder de Heidenen », Gal. 2:8.
In Corinthe en andere gemeenten had men allerlei gaven, zie 1 Cor. 12:8-10. Met der erkenning
dezer feiten is evenwel de eerste vraag nog niet beantwoord. Dat de Heidenen ook die gaven kregen
was om Israël tot jaloersheid te verwekken. De gaven waren dus niet om het verschil tussen
Jood en Heiden uit te wissen, maar in stand te houden. Israël moest er door geprikkeld worden
om zijn roeping op te volgen. Door hun misdaad (niet: val zoals de St. Vert. zegt) n.l. om het
heil gepredikt door de apostelen der Besnijdenis niet te aanvaarden, is de zaligheid de Heidenen
geworden om hen tot jaloersheid te verwekken, Rom. 11:11. We komen nu tot de beantwoording der
eerste vraag: Had het Evangelie der Voorhuid dezelfde inhoud als dat der Besnijdenis? Deze vraag
is eenvoudig voor hen, die duidelijk gezien hebben, wat het Evangelie des Koninkrijks is. N.l. de
prediking dat God op aarde een rijk wil oprichten, waarin Israël een priesterlijk koninkrijk
is, dat heerst over de Volken en hen tot God leidt, dat zijn middelpunt heeft in Jeruzalem, de
stad des groten Konings, Mt. 5:35, zijn gebied in Kanaän en tot Koning Davids grote Zoon,
Jezus Christus, de Koning der Joden, de Koning Israëls. Dàt Evangelie nu was wel een
goede boodschap voor Israël en zijdelings ook voor de Heidenen, daar zij gezegd zouden en
zullen worden in en door Israël, maar is toch niet het Evangelie der Voorhuid dat God aan
Paulus toebetrouwd heeft. Paulus zegt, dat hij het Evangelie dat hij predikte onder de Heidenen
aan de apostelen en anderen voorstelde d.i. aan hun oordeel onderwierp, Gal. 2:2. Hoe kon dat
hetzelfde zijn als het hun eerst uiteengezet moest worden? Dan had hij eenvoudig kunnen zeggen: Ik
predik hetzelfde als gij. Nu was dat niet het geval. Paulus zei dan ook, dat hij het niet van een
mens ontvangen had of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus, Gal. 1:12. Het was het
Evangelie der genade van Christus, 1:6 en had tot inhoud, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt
uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, 2:16, dat zij die uit het geloof
zijn, gezegend worden met den gelovigen Abraham:, 3:9. Het Evangelie der Voorhuid vindt men vooral
uitgewerkt in de Brief aan de Romeinen. Deze spreekt van geen koninkrijk voor Israël, maar
van openbaring der kinderen (Gr.:zonen) Gods voor de zuchtende schepping (niet schepsel) tot
bevrijding uit de dienstbaarheid, Rom. 8:19-21. Dit is een hoger sfeer van zegening. Evangelie der
Besnijdenis en der Voorhuid verschillen dus.
|
De grote verwarring in de Christenheid en in het Christendom is gevolg van het niet onderscheiden
van het tweeërlei evangelie dat ons genoemd wordt in Gal. 2:7. De oorzaak (die tevens weer
gevolg is) is, dat men de sleutel tot de Schrift is kwijtgeraakt. Die sleutel is Israël.
Evenmin als iemand in zijn gesloten huis kan komen zonder huissleutel, evenmin kan de Schrift
geopend worden zonder het inzicht dat Israël het onderwerp is van het grootste gedeelte van
Gods Woord. Zes zevenden der Schriften handelen over dit volk. Ze spreken van zijn historie, van
zijn val en ook van zijn wederaanneming, voorzover dat nodig is om er kennis van te nemen. Waar nu
Israëls herstel al spoedig geloochend is geworden in de Oude Christelijke Kerk, daar is de
sleutel der Schriftuitlegging zoek geraakt. Het gevolg is geweest, dat men de inhoud der
verschillende evangeliën niet verstaan heeft en dit heeft weer tot gevolg gehad, dat men
alles dooreengemengd heeft. Zoo is een onontwarbaar theologisch kluwen ontstaan waar geen begin
noch eind aan te vinden is. De Schrift spreekt van meer dan één evangelie, meer dan
één goede tijding. God Die rijk is in barmhartigheid, is niet eenvormig in Zijn
goede tijdingen. Bijzonder Paulus is de man, die Hij veel toebetrouwd heeft. Hij was Hem een
uitverkoren vat in velerlei opzicht. Paulus heeft Gods roeping duidelijk verstaan en noemt de hem
toevertrouwde goede tijding voor zijn eerste bedeling: « Mijn evangelie », Rom. 2:16, 16:25, het
evangelie Zijns (Gods) Zoons, 1:9, dat der genade van Christus, Gal. 1:6, het evangelie der
Voorhuid, 2:7. We merkten in onze vorige uiteenzetting reeds op, dat dit evangelie in een andere
sfeer plaatst dan die van Israël. Aan Israël wordt gepredikt, dat God een andere Profeet
zou verwekken, groter dan Mozes, naar Hem moest men horen, Hand. 3:22; wie Hem niet hoorde, zou
uitgeroeid worden uit het volk, vs. 23. Hun werd er op gewezen, dat zij kinderen de profeten waren
en van het verbond dat God met de vaderen opgericht had om in hen alle geslachten der aarde te
zegenen, 3:25; Christus wordt voorgesteld als Davids grote Zoon, 2:25-36, Hij is de Wederoprichter
der dingen die God voorzegd heeft in de profeten, 3:21. Dit alles beperkt Hem tot Israël.
Hiervan was de Heiden vreemdeling.
In het Evangelie der Voorhuid geeft God wat anders. Hierin opent Hij een hogere sfeer. De belofte
hiervoor was reeds aan Abraham gegeven in Gen. 15:5 en 6: Uw zaad als de sterren des hemels, het
geloof gerekend tot rechtvaardigheid. Dit is de korte inhoud ervan. Het erfdeel is nu niet alleen
het Land Kanaän of zelfs de aarde, maar ook de hemelen, Gods rijke schepping boven ons met
z'n wondere geheimen en grote krachten. En dit wordt niet gegeven krachtens enige voorrang zoals
aan Israël het Koninkrijk op aarde, maar krachtens geloof in Christus als Zoon Gods. Dit is
geen sfeer om, maar boven Israël; niet in, maar boven de Besnijdenis, Rom. 4:10. De beloften
daarvoor liggen niet in de wet, maar zijn door de rechtvaardiging des geloofs, Rom. 4:13. In deze
sfeer is men erfgenaam Gods en mede-erfgenaam met Christus, Rom. 8:17; niet met Hem als Davids
zon, maar als Gods Zoon, 8:29. Die de Eerstgeborene is onder vele broederen. Eerstgeborene n.l.
uit de doden, vs. 34. Paulus' evangelie heeft tot inhoud de genadewerkingen die voortvloeien uit
de dood en opstanding van Christus. Deze zijn in hun werking eerst door zijn evangelie openbaar
geworden. Voor Israël was Christus' dood een verlossing van de vloek der wet, voor de Heiden
wordt hij een positieve zegen daar Christus juist door Zijn dood en opstanding de weg baant tot
het plaatsen in de hogere sfeer. Men ziet zo hoe Paulus' evangelie Israëls sfeer niet opheft
maar bevestigt. Het is niet zo dat het heil van Israël nu universeel (wereldwijd) is
geworden, dat de Kerk die in Israël in nationale windselen heet te liggen, nu vrij maakt en
wereldkerk doet worden, dat Israëls sfeer een tussenbedeling is om tot het wereldheil te
komen. Het is zo, dat God in Paulus een nieuwe sfeer opent waarvan Hij aan Abraham reeds
perspectief gegeven heeft, die Hij in Jozefs positie voorafschaduwde en waartoe in de geest de
afzonderlijke gelovige in het O.T. wel opgeklommen is, maar waarvan het toch voorbehouden was die
eerst door Paulus te doen bekendmaken aan de Heidenen zonder Israël daarmee te verwerpen of
de roeping van dat volk ongedaan te maken. Dit is niet verstaan noch door de Jood, noch door de
Kerk. De Jood kon het niet verdragen dat de Heiden gaven kreeg en verstond niet dat het was om hem
verder te leiden. De Kerk heeft het niet verstaan, omdat zij deed wat Paulus reeds voorzag: roemen
tegen de afgehouwen takken. God heeft de Jood tijdelijk terzijde gezet, Hij zou de ingeënte
takken ook niet sparen, Rom. 11:20, 21. Ze zijn reeds afgehouwen, alleen zijn zij nog niet ten
volle verdord, omdat god de vrucht er van wil inzamelen. De takken, de uitwendige vormen, worden
verworpen. Het Christendom zal verdorren. Mede volgens Paulus' evangelie.
|
|
|