|
|
Deze kleine studie poogt aan te tonen wat de zonen Gods zijn, genoemd in Genesis en Judas, zonder te beweren dat dit een compleet
afgerond onderzoek is.
Gen. 6:
1 En het geschiedde, als Adam (ha adham) op den aardbodem begon te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,
2 Dat de Zonen Gods de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen
hadden.
Adam heeft toegestaan dat « de zonen Gods » zich met de mensen dochteren (zijn dochters) vermengden.
Jud 6
En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
De « zonen Gods » zijn dus engelen die hun « beginsel » niet bewaard. Hun « woonstede » verlaten.
Voor beginsel staat in het Gr. arche dit woord wordt vertaald door nogal wat verschillende woorden zoals:
- het begin
- eigenlijk
- heerschappij
- allereerst
- begin
- oorsprong
arche:
1) begin, oorsprong
2) de persoon of het ding die beginnen, de eerste persoon of ding in een reeks, leider
3) die door wat om het even wat begint te zijn, de oorsprong, de actieve oorzaak
4) het uiterste van een ding
4a) van de hoeken van een zeil
5) de eerste plaats, prinselijke of vorstelijke waardigheid, regel,
magistratuur
5a) van engelen en demonen
Voor woonstede wordt het woord oiketerion gebruikt vertaald door:
Dit is niet juist vertaald ons insziens;
Het kan ook « van het lichaam als woonplaats voor de geest » betekenen, in de context van wat er staat is dat waarschijnlijk de betere vertaling. Immers, om in te gaan tot de dochters van Adam, moesten de zonen Gods niet alleen de hemelse sfeer waar zij normaal gesproken behoorden te verblijven verlaten, doch ook hun lichamelijke « heerlijkheid » af leggen. Dit naar aanleiding van de woorden van de Heere Jezus in:
Luk 20:
34 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De zonen dezer aioon trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven;
35 Maar die waardig zullen geacht zijn die aioon te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden;
36 Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn zonen Gods, dewijl zij zonen der opstanding zijn.
Voor verlaten wordt het woord apoleipo (en vormen) gebruikt vertaald door:
- wachten
- verlaten
- achterlaten
- er blijft over
- losgelaten
- verlaten
Het is eerder; weg-van-verzaken.
Deze tekst is dan ook anders te lezen:
Jud 6
En de engelen (angelos) niet (me) indachtig (tereo) hun (heautou) oorspronkelijke (arche) bestaanswijze (oiketerion) en zichzelf
(idios) daarvan-hebben-afgekeerd (apoleipo), heeft Hij tot het oordeel des groten dags met aionische banden onder de duisternis
(zophos) bewaard.
7 Zoals Sodoma en Gomorra, en de steden in hun nabijheid, op gelijkende (homoios) wijze als deze gehoereerd- hebben (ekporneuo), en andersoortig (heteros) vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld gesteld zijn, dragende de straf des aionische vuurs.
Voor ons hebben we altijd de bovenstaande vertaling als juist gezien en in overeenstemming met wat de Schrift ons leert. De zonen
Gods zijn Andersoortig vlees nagegaan (de dochteren der mensen) en Sodom en Gommora hebben dat, op een daar op gelijkende wijze gedaan. Zie ook:
2Cor 5:1
Want (gar) wij weten (eido), dat (hoti), het (ho) aardse (epigeios) tabernakels (skenos) waarin (ho) wij (hemon) wonen (oikia) afgebroken-wordt (kataluo), wij-hebben (echo) een gebouw (oikodome) uit (ek) God (theos), een huis (oikia) niet-met-handen-gemaakt (acheiropoietos), eeuwig (aionios) in (en) de (tous) hemelen (ouranos).
Dit gaat over het opstandings lichaam vergelijk met:
Marc 14:58
Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal dezen tempel (naos), die met handen gemaakt is (cheiropoietos), afbreken (kataluo), en in drie
dagen een anderen, zonder handen gemaakt (acheiropoietos), bouwen (oikodomeo).
Dit gaat over de opstanding van de Heere Jezus Christus wat niet werd begrepen door de farizeen.
2 Cor 5:2
Want hier-om (touto) zuchten-wij (stenazo), met (ho) verlangen (epipotheo) onze woonstede (oiketerion), uit (ek) de hemelen
(ouranos) overkleed-te-worden (ependuomai).
Ook dit gaat over het opstandingslichaam.
2 Cor 5:4
Want (gar) wij-die-wonen (ontes) nog (kai) in (en) die (ho) tabernakel (skenos), zuchten (stenazo), bezwaard (bareo) opdat (epi) wat (hos) wij-willen (thelo) niet (me) ontkleed-worden (ekduo), maar (alla) overkleed (ependuomai), zodat (hina) verslonde worde (katapino) het (ho) sterfelijke (thnetos) door-middel-van (hupo) het (ho) leven (zoe).
Als we bovenstaande even rustig bestuderen zien we dat het zo allemaal veel duidelijker wordt. De zonen Gods verlieten hun hemelse gedaante en konden zo tot de dochteren der mensen ingaan en het bastaard ras « overwon » de mensheid. Zo « dwong » Satan God om de 2e aioon met de bekende catastrophe af te sluiten en zag zijn (Satan) plan weer verijdeld, toen Noach die alleen nog rechtvaardig ¹ was met gezin en de dieren overbleef om de aarde weer te bevolken.
De tweede golf van vermening van het ongelijke vlees kwam niet lang daarna, maar is blijkbaar lang zo sterk niet geweest. De reden hiervoor wordt o.i. in de Schrift niet gegeven.
Jude 1:13
Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.
Volgens ons gaat dit vers over dezelfde zonen Gods, het klopt dan in ieder geval met de struktuur² van Judas:
| |
| A1 |
 |
1, 2. Begroeting. |
| |
B1 |
 |
3. Vermaning. |
| |
C1 |
 |
4. Goddeloosheid, ontkenning. |
| |
D1 |
 |
5-, Herinnering. |
| |
E |
 |
-5-16. Vergelding. |
| |
D2 |
 |
17. Herinnering. |
| |
C2 |
 |
18, 19. Goddeloosheid, afzondering. |
| |
B2 |
 |
20-23. Vermaning. |
| A2 |
 |
24, 25. Dankzegging. |
E verder uitgewerkt:
| E |
 |
A1 |
 |
-5-7. Drie groepen afvalligen: Israëlieten, Gevallen Engelen, Sodomieten |
| |
 |
|
B1 |
 |
8. Wetteloosheid. |
| |
 |
|
C1 |
 |
9. Oordeel aangekondigd. |
| |
 |
|
D1 |
 |
10. Corruptie. |
| |
 |
A2 |
 |
11. Drie individuele afvalligen: Cain, Balaam (de waarzegger), Korah. |
| |
 |
|
B2 |
 |
12, 13. Zedeloosheid. |
| |
 |
|
C2 |
 |
14, 15. Oordeel voorspelt. Enoch |
| |
 |
|
D2 |
 |
16. Wandelen naar de begeerte. |
|
P.E.E.
|
¹
|
Het in Gen.6:9 gebruikte Hebreeuwse woord door « rechtvaardig » vertaalt, is tàmîym en duidt in combinatie met dôr (geslachten) eerder op de « ras » zuiverheid van Noach en zijn gezin, dan op zijn rechtschapenheid als gelovige. Het eerste sluit het laatste daardoor overigens geenszins uit, er wordt hier echter wèl de nadruk op het eerste gelegd.
|
|
²
|
Structuren ontleend aan de Companion Bible.
|
|
|