|
De Brits-Israël leer door G.J.P.
De Schriftleer van Israëls herstel en de oprichting van het Koninkrijk der hemelen in de toekomende eeuw, waarvoor Christus' wederkomst noodzakelijk is en waarbij het z.g. Duizendjarig rijk volgt na die wederkomst, vaak Pre-Millenianisme genoemd, tegengestaan door de orthodox-Calvinistische opvatting, wordt tegenwoordig doorkruist door een andere n.l. deze, dat de 10 stammen thans reeds met God regeren. Ze zetelen in West- en Noordwest Europa en in Noord-Amerika. Dit is de Brits-Israël leer. Deze vindt ook in ons land haar aanhangers. We willen nagaan of ze juist is en zo niet waar haar fouten liggen. Vooraf geven we om objectief te zijn een uittreksel van deze leer uit een geschrift dat door de voorstanders er van geschreven is. De lezer heeft dan zelf de gegevens van de verdedigers dier leer voor zich.
I. De Brits-Israël leer. (Top)
De aanhangers der Brits-Israël leer geloven:
In God en in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon.
In het zoenoffer van Christus, in Zijn dood, opstanding en hemelvaart voor ons.
In de Heilige Geest en diens kracht.
Dat de gehele Bijbel, zowel O.- als het N.T. het onfeilbare Woord van God is.
In de betrouwbaarheid van de Bijbel met betrekking tot de geschiedenis, de verbonden en de profetieën.
In het Evangelie der liefde en der genade; dat het Evangelie der Zaligmaking tevens het enige middel is tot persoonlijke redding voor allen, voor Israëliet, Jood en Heiden (= niet Israëliet) en dat ieder herboren moet worden.
In het Evangelie van het Koninkrijk welk Koninkrijk wij identiek achten met het « Stenen Koninkrijk » en dat — hoewel niet van deze wereldorde — door ons behalve in geestelijke zin vooral ook gezien wordt in verband met het herstel van Gods Koninkrijk op aarde, waarvan de grondslag reeds werd gelegd ten tijde van Mozes bij de berg Sinai. Wij achten dit Evangelie zeer belangrijk naast het Evangelie der Liefde en der Genade, als een noodzakelijk, door God gegeven aanvulling van het Evangelie der persoonlijke Zaligmaking. Immers alleen door de komst van dit Koninkrijk Gods wordt de rechtvaardige orde op aarde gebracht.
Het Evangelie van het Koninkrijk houdt de noodzakelijkheid in van toepassing van het practische Christendom bij de nationale leiding en geeft de grondslagen aan, waarop deze nationale toepassing moet berusten.
In de letterlijke Wederkomst van Christus, waarbij Hij de Troon van David in bezit zal nemen en op aarde zal regeren gedurende duizend jaren.
Dat de Bijbel Gods plan bevat voor de genezing van alle menselijk kwaad en dat dit plan uitgevoerd wordt door middel van het Bijbelse volk Israël.
Dat dit volk Israël door God werd uitverkoren voor de vervulling van een bepaalde nationale taak, n.l. om te zijn
| a. |
Gods bijzonder apart gezet volk waardoor alle volken gezegend worden; |
| b. |
getuige voor God en Christus; |
| c. |
Gods instrument ter bescherming van Zijn aardse rijk. |
Dus het van Abraham via Isaac aan Jacob (= Israël) overgedragen Abrahamietische verbond van onvoorwaardelijke en altijddurende Goddelijke beloften is overgegaan op Jacobs zonen (en de daaruit voortgekomen 12 stammen), van wie speciaal Juda de zegen van de Scepter (= het voortbrengen van koningen) kreeg en Jozef die van het eerstgeboorterecht (= o.a. leiderschap en dat dit eerstgeboorterecht niet door Jozefs oudste zoon Manasse (die echter wel tot een groot volk zou worden) maar door Jozefs jongere zoon Efraim werd geërfd op wie bovendien nog de zegeningen van een menigte van volkeren overgingen.
Dat het « Beloofde Land » groter is dan Palestina, zich n.l. uitstrekt van de Nijl tot de Eufraat.
Dat de volledige vervulling van deze onvoorwaardelijke beloften zal geschieden in de « latere tijd » of « laatste » dagen, d.w.z. de tijd na de Kruisiging en voor de Wederkomst van Christus.
Dat God Zich in en door Israël heeft geopenbaard sedert de dagen van Mozes, dat God aan Israël na de uittocht uit Egypte bij de Sinai de Wet gaf op het niet nakomen waarvan straf maar geen vernietiging zou volgen (voorwaardelijk Mozaische Verbond) en dat Israël van dat tijdstip af een natie genoemd mag worden en wel een natie met een theocratische regeringsvorm.
Dat de geïnspireerde Heilige Schrift tot ons kwam door de profeten van Israël.
Dat Christus voortkwam uit het geslacht Israël en dat Hij gelijktijdig is Profeet, Priester en Koning, dat Zijn apostelen eveneens uit Israël waren, dat het Goddelijk plan nog steeds werkzaam is door middel van datzelfde volk.
Dat God met de stam Juda, zittende op Gods troon, een eeuwigdurend verbond maakte tot onafgebroken bevestiging van Zijn Koningshuis. Dit Davische Verbond was wederom onvoorwaardelijk.
Dat na Salomo's dood twee koninkrijken ontstonden, het huis of Koninkrijk Israël (10 stammen) ook wel genoemd Rijk Efraim, (Noordelijk Koninkrijk) en het Huis of Koninkrijk Juda (Zuidelijk Koninkrijk).
Dat het Huis Israël door de Assyriërs in ± 720 v. Chr. in ballingschap naar Noord-Assyrië weggevoerd is. Hier is het, althans voor wat de Bijbelse geschiedenis betreft, « verloren » gegaan. Echter, naast vele Bijbelse profetiën die het voortbestaan verzekeren en het terugvinden aankondigen, zijn er ook vele belangrijke niet-Bijbelse getuigenissen en aanwijzingen, dat dit volk; het volk Israël dus, later naar het westen trok en zich na enige tijd in de noordwestelijke delen van het vasteland van Europa vestigde, van waar de kern verder trok naar de Britse eilanden.
Het Zuidelijk rijk werd naar Babel gevoerd waar het 70 jaar verblijf hield.
Het regerende Koningshuis van David werd althans in de mannelijke linie uitgemoord. Aan het einde van de Babylonische ballingschap werd aan het Huis Juda toestemming verleend naar Jeruzalem en Juda (Judea) terug te keren. Slechts een deel deed dit. Deze teruggekeerde ballingen (behorende uitsluitend tot de stammen Juda, Benjamin en Levi) werden van toen af, algemeen Joden genoemd; de Joodse natie werd uit hen gevormd. In 70 na Chr. ging zij volledig onder. De Joden uit de tijd en omgeving van Jezus waren hun nakomelingen, hoewel het Joodse volk reeds toen in vrij sterke mate allerlei niet-Israëlitische elementen (proselyten) in zich had opgenomen. Van belang hierbij is, dat in 130 v. Chr. het Israël vijandig gezinde volk der Edomieten bijna geheel in de Joodse natie werd geabsorbeerd. Herodes b.v. was een Edomiet. Na de verstrooiing in 70 na Chr. werden nog meer proselyten in het Jodendom opgenomen (o.a. het Zuid-Russische volk der Chazaren). Hieruit volgt dat niet alle Joden naar afstamming Israëlieten zijn en dat voor zover zij dit wel zijn, zij slechts een zeer klein deel van het oorspronkelijk uit 12 stammen bestaande Israël vertegenwoordigen. Een Israëliet behoeft dus allerminst een Jood te zijn (evenmin als b.v. elke Nederlander een Zeeuw is). Verder mogen afstammelingen van Juda van voor de Babylonische ballingschap (b.v. David of Salomo) niet tot de Joden worden gerekend; het waren de Judaieten (Israëlieten uit de stam Juda).
Het karakteristieke van de Jood is voornamelijk gelegen in een speciale mentaliteit en bijzondere opvattingen, die beide ontstonden tijdens, na en als gevolg van de Babylonische ballingschap. De specifiek Joodse opvattingen bevatten dan ook elementen die vreemd zijn aan het oorspronkelijke Mozaïsch-Israëlietisch geloof.
Het verschil tussen « Israël en « Juda » is duidelijk in de Bijbel aangegeven. Het zijn termen die onderling niet verwisseld mogen worden. Indien men dit goed begrijpt, is men in het bezit van de sleutel van de Israël-waarheid.
Studie en onderzoek hebben ons de opvatting gegeven:
1. Dat het « verloren » Huis Israël der 10 stammen nog steeds bestaat en dat het in nationale zin moet worden teruggezocht in de tegenwoordige volken van Noordwest-Europa (waaronder Nederland), doch in het bijzonder Groot-Brittannië en Noord-Amerika;
2. Dat de lijn der aardse vorsten uit het Koningshuis van David, waarvan in 584 v. Chr. de mannelijke linie was uitgemoord, daarna zonder onderbreking werd voortgezet in de vrouwelijke tak. Deze tak is identiek met de tedere twijg van het opperste van de jonge takjes van de opperste tak van de stamboom-ceder waaruit de top of kruin (Zedekia de laatste koning van het Rijk Juda) door een arend (Nebukadnezar) was weggenomen. Deze tedere twijg (niet te verwarren met de « scheut uit haar wortel » waarmee Christus bedoeld is) werd door Jeremia via Egypte en Spanje in Ierland gebracht om daar te worden « geplant » als 't Ierse Koningshuis waaruit ook de koningen van Schotland en vervolgens tot op heden die van Groot-Brittannië voortkwamen; de meeste Europese vorstenhuizen, waarvan er nog enkele regeren, zijn eveneens aan het zo juist genoemde verwant. Het Koninkrijk is daarmee definitief van Juda weggenomen en gegeven aan een ander volk, n.l. aan het nu teruggevonden en inmiddels tot het Christendom overgegane Efraim-Israël. In deze opvattingen worden wij gesteund zowel door historische, ethnologische (volkenkundige) philologische (taalkundige) en heraldische (wapenschildkundige) gegevens als later door datgene wat de Bijbel leert.
De profetieën geven duidelijk aan dat het « verloren » Huis Israël na de verbanning naar Assyrië onder de heidenen en in verschillende landen zou worden verspreid en daarna weer vergaderd en in de « woestijn der volken » gebracht zou worden waar het — om slechts enkele van de vele Bijbelse kenmerken van Israël te noemen — als machtig en onoverwinnelijk, zeevarend volk, onder andere naam en blind voor eigen identiteit op de geisoleerde, veilige « bestelde plaats » van de « eilanden der zee » onder het Nieuwe Verbond in Christus zou komen waardoor het na een tijd van materiële en geestelijke beproeving (de « tijd van Jacobs benauwdheid ») ten slotte als volk weer geheel tot God zal kunnen terug keren. Van groot belang is, dat hierbij een geheel nieuw aspect van Christus' offer naar voren komt, n.l. het nationale aspect, daar Hij behalve de Redder voor ieder individueel, ook is de Verlosser van Zijn volk Israël als natie.
Wij verklaren dat de tijd gekomen is, dat het « verloren » Israël (dat immers tot een volk ja een menigte van volken zou uitgroeien) kan en zal worden teruggevonden en geïdentificeerd. De naties die niet tot Israël behoren, houden stuk voor stuk op koninkrijk te zijn. De 7 straftijden (7 maal 360 jaar) voor Israël en Juda zijn voorbij. De « tijden der heidenen » (= niet-Israël) (eveneens 7 maal 360 jaar) voor Jeruzalem, die begonnen in 604 v. Chr. toen deze stad onder de heerschappij van Babel kwam en eindigden in 1917 toen Engeland (Israël) haar aan de Turken ontrukte (het jaar 1917 was het jaar 1335 van de Mohammedaanse kalender) liggen achter ons.
Allereerst nodig is echter dat alle delen van Israël komen tot een berouwvolle daadwerkelijke bekering tot God door Christus en wel in nationale zin, dat zij daarbij tot nauwe samenwerking geraken en dat zij zich in alle nederigheid van hun identiteit, hun taak en hun grote verantwoordelijkheid bewust worden. Eerst dan zal Israël weer in Gods gunst komen en onder Gods leiding; als Zijn dienaar de wereld kunnen tonen op welke wijze de thans ontstane chaotische toestanden kunnen worden opgeheven, waardoor Israël inderdaad de andere volken tot zegen zal zijn.
Een nationaal herstel van alleen Juda is niet mogelijk. Dit is een van de redenen waarom wij geloven dat de huidige Joodse staat « Israël » in Palestina een voorbijgaande zal zijn. Het nationale herstel van Israël houdt ook in, dat Juda zal zijn gegaan tot Israël en dat zij te zamen representatief naar het Beloofde Land tussen Nijl en Eufraat zullen zijn terug gekeerd ».
|
Tot zover geciteerd uit: « De Israël-waarheid in vogelvlucht » door A. A. Gips.
De cursiveringen zijn van zijn hand. De teksten waarnaar hij verwijst zijn weggelaten.
II. Weerlegging Der Brits-Israël leer. Afbuigingen (Top)1. Het onderscheid tussen Juda en Israël I.
De Brits-Israël leer maakt niet alleen een onderscheiding tussen Juda en Israël maar zelfs een scherp verschil, ja sterke splitsing tussen beide. De wegen van Juda, het tweestammig koninkrijk en Israël, het tienstammig koninkrijk gaan bij Israëls ballingschap geheel uiteen. Israël is nimmer weergekeerd in het Land, dit deden alleen de ballingen afkomstig uit het Huis Juda, waarbij er dan waren uit Benjamin en Levi. Zij werden van toen af Joden genoemd en vormden de Joodse natie. De tien stammen zijn een grote tocht begonnen en ten slotte aangeland in Noord-West-Europa en nog verder in Amerika. Daar vormen zij aparte volken.
Indien dit waar zou zijn, dan zou de vloek die Mozes tot geheel Israël, tot de twaalf stammen, gesproken heeft, voor tien er van opgeheven zijn. Maar wat zegt de Schrift? Na eerst de veelvoudige zegening over « al het volk », geheel Israël, uitgesproken te hebben, volgt een nog bredere vloek, vanzelf ook over « al het volk », Deut. 28:1-14 en 15-68. Met « de kinderen Israëls » wordt daarna boven het verbond van Sinai uit, nog een verbond gemaakt, het z.g. Palestijns verbond op grond waarvan zij in het Land kunnen ingaan (dat van Sinai was reeds verbroken). Deut. 29. Dan volgt Deut. 30, waarin Israëls bekering wordt voorzegd. Daar lezen we:
« Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u (kinderen Israëls) zullen gekomen zijn; deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb, zo zult gij het weder ter harte nemen onder alle volken waarhenen de Here uw God u gedreven heeft », vs 2.
Hier lezen we wel van een gedreven zijn tot volken maar niet van een als zelfstandige volken in meerdere landen woonachtig zijn.
« Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de Here Uw God vergaderen en van daar zal Hij u nemen. En de Here uw God zal u brengen in het land dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben en Hij zal u weldoen en vermenigvuldigen boven uw vaderen », Vs 4, 5.
Dit is in lijn met Amos 9:8, waarin gezegd wordt dat het Huis Israëls onder alle heidenen zullen geschud worden zoals dit met zaad geschiedt. Ze zijn niet als « volken », als stammen, verstrooid maar onder de Volken. Ze zijn dus in vele landen, niet als een of andere stam, maar als « zaad », d.i. afzonderlijk.
Maar, zullen we dan de twee benamingen die later opkomen en de gang der twee Huizen niet in het oog houden? Zeer zeker. Maar niet dan nadat we eerst hebben opgemerkt dat de benaming « Huis Israëls » op het gehele volk betrekking heeft en vóór de deling meer dan een dozijn keer gebruikt wordt. (Ex. 16:31; 40:38; Lev. 10:6; Num. 20:28; Joz. 21:45; Ruth 4:11; Sam. 7:2, 3; 2 Sam. 1:12; 6:5, 15; 12:8; 16:3). Dit is de natuurlijke en gewone betekenis waartoe de Schrift telkens terugkeert. De naam Israël is de geestelijke titel aan Jakob bij Pniël gegeven (Gen. 32:28; 35:10, 21, 22). Deze betreft al zijn afstammelingen en is slechts tijdelijk beperkt tot de tien stammen.
In Rom. 9 wordt hij beslist voor alle stammen gebruikt duidt dus « geheel Israël » aan. Ondanks de in Achabs tijd reeds bestaande deling, spreekt Elia God aan tegen Israël (waarvoor hij kort te voren het altaar op de Karmel met twaalf stenen hersteld heeft, 1 Kon. 18:30, 31) in zijn eenheid. En van dat Israël, waaronder Paulus niet verstaat de twee stammen, of de tien, maar de twaalf geslachten, Hand. 26:7 en Petrus het ganse Huis Israëls, Hand. 2:26, zegt de grote Heiden apostel « En alzo zal geheel Israël behouden worden. » En daarmee God dienen. Hoe? Doordat tien stammen het christendom aannamen, in het nieuwe verbond werden gesteld, tot de christelijke volken werden gerekend? Of om G. v. d. Laan in zijn Brits-Israël Theorie te citeren: Door als Israël Gods instrument te zijn tegen de anti-christelijke machten van de Satan? Door als Nederland en Engeland Gods instrument te zijn tegen de macht van Filips II in Spanje (die in 1588 zijn Armada tegen deze landen afzond)? Door als Engeland en Nederland Gods instrument te zijn tegen de macht van Napoleon in Frankrijk (1815, Waterloo)? Door als Engeland en Amerika Gods instrument te zijn tegen de macht van Hitler in Duitsland? Door als Amerika en Engeland Gods instrument te zijn tegenover de macht van Stalin in Rusland? Geenszins. Alzo spreekt de Schrift niet. Ze zegt wel dit: « Alzo zal geheel Israël behouden worden gelijk (zoals) geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en de goddeloosheden afwenden van Jakob. » Rom. 11:26. Al zou men
dus onder « geheel Israël » niet de twaalf, maar alleen de tien stammen willen verstaan, dan nog zou men hiermee niets winnen. Want de Verlosser is nog niet uit Sion gekomen. Dit doet Hij eerst bij Zijn tweede komst als Hij voor Jeruzalem zal strijden, Zach. 14 en daarna andermaal Zijn intocht in Jeruzalem zal houden, Mt. 23:39. Dan zal Hij de tenten van Juda allereerst behouden, de inwoners van Jeruzalem beschutten en over hen uitstorten de Geest der genade en der gebeden, dan zullen alle geslachten, dus ook de tien stammen, rouw bedrijven, Zach. 12:7, 14. Want de Meerdere dan Jozef zal dan al zijn broederen bekend worden. Dus eerst dan ook aan de tien stammen. En eerst dan, niet eerder maakt de Here het nieuwe verbond met het Huis Israëls; Heb. 8:10 en zullen allen de Here kennen.
Hoe kan men dan zeggen dat de tien stammen reeds nu in hun totaliteit de Here kennen en Gods instrument zijn? Hoe kan men zeggen: « Wat God gezegd heeft door Israël te zullen doen, doet God door de Angelsaksische en verwante volken en daarom zijn deze volken Israël »? (G. v. d. Laan).
2. Het onderscheid tussen Juda en Israël II. (Top)
We willen nu meer in bijzonderheden treden.
Vanzelf vinden we in de Bijbelboeken tot 1 Koningen nog niet het onderscheid dat later naar voren komt. Een ding willen we aangaande Ex., Lev. en Num. opmerken: het groot aantal keren dat de term « kinderen Israëls » voorkomt. We vonden die in deze drie boeken 'n 340 maal, tegenover de benaming Israël slechts 70 maal. In Deuteronomium verandert de verhouding opmerkelijk: Kinderen Israëls 20 maal, Israël 47 maal. In Jozua zijnde getallen resp. 68, 60, in Richteren 60, 95, in 1 Sam. 12, 115, in 2 Sam. 4 en 89.
Van het eerste verschil tussen Juda en Israël vinden we sporen in 1 Samuel. Wel is dit nog slechts een rimpeling van het oppervlak, maar deze is er dan toch. In 1 Sam. 18:16 vinden we voor het eerst Israël en Juda onderscheiden vermeld. Gans Israël en Juda had David lief. In vs 18 echter spreekt David van zijn huisgezin in Israël. En Jonathan maakt ook geen onderscheid: 19:5, 23:17. Zie ook 24:3, 15, 21.
Nadat David de Amalekieten verslagen heeft, zond hij van de buit aan zijn vrienden, de oudsten van Juda. 1 Sam. 30:26. Israëls mannen, zeker wel uit alle stammen, waren opgetrokken tegen de Filistijnen. 31:1.
In 2 Samuel komt de rimpeling. David trekt op Gods bevel op naar Hebron en de mannen van Juda zalven hem daar tot koning. 2:1-4. Abner, Sauls generaal, maakt echter Sauls zoon Isboseth tot koning over Gilead (in Manasse's stamgebied ten Oosten van de Jordaan), over de Ashurieten (afstammelingen van Dedan, zoon van Abraham, Gen. 25:3), over Jizreël (gelegen in de stam van Issaschar, in het West-Jordaanland) en over Efraim (eveneens ten W. van de Jordaan), over Benjamin en over Israël. Indien deze term de rest van het land inhoudt, reikt Abner te ver, want, Isboseth werd in Juda niet erkend; Het Huis Juda immers volgde David na 2:8-10. Benjamin, waaruit Saul voortgekomen was, had zich niet bij Juda geschaard. Later wil Abner « gans Israël », het gebied dat Isboseth erkende, aan David brengen. Voor hij dit volvoeren kan, wordt hij door Joab vermoord. 3:17. Ook Isboseth viel door moordenaarshand. 4:1-12.
Toen kwamen alle stammen Israëls en zalfden David tot koning over Israël. 5:12, 17; 6:1, 19, 20.
Nu volgt 2 Sam. 7. David wil de Here een huis bouwen, maar de profeet Nathan moet hem zeggen dit niet te doen. Niet hij, David, moet de Here een huis bouwen — dat zal zijn zoon doen — maar de Here zal hem een huis bouwen. We komen op de belofte aan David nader terug; hier bezien we alleen, wat onder Israël in vs 10, 24 en 26 moet worden verstaan.
De Brits-Israël leer meent, dat met deze naam alleen de 10 stammen worden aangeduid. De voor Israël bestelde plaats van vs 10 zijn dan de Britse eilanden. Wij menen dat in 2 Sam. 7 onder Israël alle stammen begrepen zijn. En wel hierom: 1. In 5:5 is sprake van het gehele Israël. 2. In 6:19 vertegenwoordigt « de ganse gemeente Israels » niet maar de 10, maar de 12 stammen. 3. In 7:7 zegt de Here, dat Hij met « al de Kinderen Israëls gewandeld heeft van de dag af dat Hij de Kinderen Israëls uit Egypte opgevoerd heeft. » Vs 6. Aangezien de Here nu geen 10 maar 12 stammen opgevoerd heeft, kan het « mijn volk » van vs 10 niet ineens het tienstammig Israël betekenen. Dit blijkt ook uit vs 11; dit spreekt van Richters over « mijn volk Israël ». Dit is het twaalfstammig Israël want de Richters waren niet alleen uit Juda. 4. Dat geheel 12 stammig Israël bedoeld is, blijkt voorts uit vs 23, dat spreekt over het enige volk dat door God verlost is, vanzelf uit Egypte dat in vs 6 genoemd wordt. 5. Voorts uit vs 26. waar de Here heet, de Gods « Israëls ». Deze benaming heeft steeds betrekking op het gehele volk. Het eerst wordt hij door Mozes gebruikt voor Farao. Ex 5:1. Deze schone titel vinden we verder het hele O.T. door. Hij wordt zowel gebruikt in verband met de koningen van het tienstammenrijk, 1 Kon. 11:31. 16:13, 26, 33; 12:54 als in verband met die van het tweestammenrijk 2 Kon. 18:5; 19:20; 21:12; 22:15. De Here is steeds de God van het volk Israël in zijn totaliteit. Het moge gesplitst of gedeeld zijn, Hij blijft dezelfde en verandert niet. Hij wordt niet de God van de ene of andere partij. Hij heeft met geheel Israël een verbond gemaakt, Jer. 34:13 en blijft nu de God van dat gehele Israël. De zonde moge verwijdering brengen, Hij blijft de Drager van het hele volk. — Om al deze redenen is de bestelde plaats der Brits-Israël leer niet de Britse eilanden en gebied in N.W. Europa en Amerika. De bestelde plaats is niet voor 10 maar voor 12 stammen, voor Gods Volk in zijn geheel.
Door Absaloms opstand komt het autagonisme, de wederzijdse tegenstand, ja vijandigheid, scherper naar voren. Eerst is er nog eenheid. Absalom zond boden in alle stammen, 2 Sam. 15:10, Husai spreekt van 'n verzamelen van gans Israël van Dan tot Berseba, d.i. van Noord tot Zuid, Juda dus inbegrepen, 17:11. Maar nadat het volk Israël verslagen is door Davids knechten, kwam er twist onder de stammen Israëls over het terughalen van de Koning, 19:9; Waar ze allen ten dele meegedaan hebben, schijnen ze niet goed te durven. David neemt dan een beslissing en zendt tot de Oudsten van Juda met de vraag of zij de laatsten willen zijn, vs 11. Zij halen nu de Koning terug. Dit zet bij velen kwaad bloed. Seba ziet mannen uit elf stammen achter zich te krijgen; alleen Juda blijft trouw. 20:1, 2. De andersgezinden dempten de burgerkrijg en er kwam rust 20:14-22.
Aan het eind van Davids regering is het één Israël. 2 Sam. 24:1, 2, 15. Dat blijft het ook onder Salomo. Die zat op de troon Israëls. 1 Kon. 2:4.
Na Salomo's dood komen er, naar bekend is, twee Rijken, het Rijk Juda, en het Rijk Efraim. Wil men, het Zuider- en Noorderrijk. Van nu af wordt de term Israël verengd. Nu is het: Naar uw tenten o, Israël. Geen erve meer aan David. I Kon. 12:16. En als Adoram komt om de schatting, de belasting, te innen, stenigt « gans Israel » hem. Vs 18. Hieruit blijkt dat men uit deze term niet mag afleiden dat er steeds de 12 stammen mee bedoeld worden. Meermalen geldt hij na de scheiding voor de 10 stammen.
« Alzo vielen de Israëlieten den Huize Davids af tot op deze dag », vs 19, en van toen af is er sprake van de koning(en) van Juda en de koning(en) van Israël. 15:29; 15:9, 16, 31, enz.
We geloven niet dat het nodig is verder de boeken der Koningen en der Kronieken in dezen na te gaan. We kunnen geredelijk de tegenstelling tussen de twee Huizen Israëls toegeven en daarmee tevens dat de term Israël vanaf de scheiding in 1 en 2 Kon. en 1 en 2 Kron. gedurig weer voor de 10 stammen gebruikt wordt, dus verengd is. Toch is hiermee de zaak niet beslist en is verder onderzoek vereist.
Ook bij de Profeten wier boeken ons bewaard zijn gebleven en die vanaf Uzzia, koning van Juda, en Jerobeam (II), koning van Israël tot na de Ballingschap zijn opgetreden, d.i. gedurende ongeveer 300 jaar, vinden we de twee Rijken apart vermeld. In tijdrekenkundige volgorde noemen we Hosea en Micha; deze zijn uit de eerste periode, d.w.z. vanaf Uzzia tot Hiskia; Jeremia en Joël, deze zijn uit de tweede periode, d.i. omstreeks de Ballingschap; Zacharia en Maleachi, deze zijn uit de derde, die na de Ballingschap. We noemden hier alleen die welke we voor dit werkje zullen bespreken; de andere kan men vinden in onze uitgave « Uit Israëls Profetie ».
Hosea profeteert tegen het Noordelijke Rijk. Hij noemt dit vaak Efraim, naar de voornaamste stam er van en vermeldt deze stamnaam meer dan alle andere Profeten samen (37 maal). Hij spreekt echter ook over Juda (4:15; 5:5. 13; 6:4, 11; 8:14; 10:11; 12:1, 3) of over het Huis Juda (1:7; 5:14).
Amos, de herder uit Tekoa, gelegen in Juda (7:12), is Hosea's tijdgenoot geweest en werd geroepen tegen Israël, het Noorderrijk, te profeteren (7:14, 15). Evenals Hosea spreekt hij ook het oordeel over Juda uit (2:4, 5).
Jesaja profeteert bijzonder tegen Juda (1:1) maar het andere Rijk, ook door hem Efraim genoemd, hoort mede zijn oordeel (7:8; 17:3; 28:1-4).
Micha heeft profetie voor Samaria en Jeruzalem, dat is voor het Noordelijke en het Zuidelijke Rijk (1:1, zie ook vs 5).
Jeremia profeteert eveneens het oordeel tegen Juda, maar vermeldt naast het Huis van Juda dat van Israël (5:11; 10:10. 17). Over beide zullen echter ook zegeningen komen (30:3; 31:27, 31; 33:14).
Joÿl is profeet voor Juda (3:1, 18, 20), maar als we in de « Kinderen Israëls » het Noorderrijk mogen zien (3:16), heeft zijn woord betekenis voor geheel Israël.
Zacharia spreekt niet alleen over Juda (1:19, 21; 2:2; 9:7, 13; 10:14; 12:2, 7; 14:14, 21) of het Huis van Juda (8:13, 15, 19; 10:3, 6; 12:4), maar noemt ook daarnaast het Huis Israël (8:13). Dit noemt hij ook Efraim (9:1).
Maleachi spreekt over Juda (2:11, 15; 3:4), maar zijn last is tot Israël (1:1). Beide worden genoemd in 2:11.
Uit dit korte overzicht blijkt dat beide Rijken telkens weer apart worden vermeld. Hun oordeel is in wezen hetzelfde. Het lot van het Efraimrijk werd reeds voorzegd onder zijn eerste koning Jerobeam door de profeet Ahia, die tot Jerobeams vrouw zeide dat de Here Israël — het Noordelijke Rijk — uit zijn land zou rukken en het volk verstrooien op gene zijde der rivier (de Eufraat). 1 Kon. 14:15. En ten tijde van Manasse zeiden de profeten dat de Here ook over Jeruzalem en Juda het meetsnoer van Samaria zou trekken en mede Juda ten roof en plundering zou worden. 2 Kon. 21:10-15. We vinden het oordeel over beide samengevat in 2 Kon. 17:18 en 19: « Daarom vertoornde zich de Here over Israël (het Noorderrijk), dat Hij ze weg deed van Zijn aangezicht; daar bleef niets over behalve de stam van Juda alleen. Zelfs hield Juda de geboden des Heren huns Gods niet, maar zij wandelden in de inzettingen Israëls die zij gemaakt hadden. Zo verwierp de Here het ganse zaad Israëls en verdrukte ze en gaf ze in de hand der rovers totdat Hij ze van Zijn aangezicht weggeworpen had ».
De vraag is nu of de ommekeer, het schenken der zegeningen voor beide Rijken verschillend is. M.a.w. of Efraim – Israël een voorsprong zou krijgen op Juda – Israël en of het eerste nu reeds het heil van het Nieuwe Verbond ervaart. Indien zo, dan heeft de Brits-Israël leer gelijk; indien niet, dan valt ze. Dit willen we in het verdere van dit werkje bezien.
We komen nu tot het N.T. Zien we daar nu ook de onderscheiding Juda – Israël? Gaan we de gegevens in dezen na.
De Leidsman zou uit het Volk Israël komen. Mt. 2:6. Jozef moest weer terug naar het Land Israëls. Mt. 2:20, 21. Christus, die in hoofdzaak in Galilea optrad, zei van de hoofdman te Kapernaum, dat Hij zo'n groot geloof als deze had zelfs in Israël niet gevonden had. Mt. 8:10; Lk. 7:9. Hij zond Zijn discipelen uit naar de steden Israëls, Mt. 10:6. Men stond verslagen over zijn genezingen, zoiets was in Israël nimmer gezien. Mt. 9:33.
Zacharias spreekt van het opnemen van Zijn knecht Israël, Lk. 1:54 en gaat terug tot de beloften aan Abraham en diens zaad gedaan. Deze betreffen geheel Israël. Johannes de Doper kwam voor Israël. Lk. 1:80. Simeon verwacht de vertroosting van Israël. Lk. 2:23 en zegt dat de Christus is gekomen tot heerlijkheid van Israël, vs 32 en daarvoor een val of opstanding zal zijn, vs 34. De Emmausgangers hoopten dat Jezus de Nazarener Israël zou verlossen. Lk. 24:21.
Door de doop werd Christus aan Israël geopenbaard. Joh. 3:10.
De discipelen vragen of de Here weldra het Koninkrijk aan Israël zou oprichten. Hand. 1:6. Zie ook vs 10 en 5:31.
In Rom. 9:27 citeert Paulus een woord van Jes. 10:22 en 23. Jesaja spreekt daar over Israël als het Huis Jakobs, vs 20. Dit betreft hier Israël in al zijn stammen. En over dit Israël heeft Rom. 9:31 het ook. In Rom. 10:1 bidt Paulus voor Israël. Is dit alleen Juda – Israël of alleen Efraim – Israël. Voor ons is dit « gans Israël », zoals blijkt uit vs 19. Daarin toch citeert de Apostel een woord van Mozes en deze sprak tot het lang nog niet gesplitste Israël. Zo ook in Rom. 9:23, waar Paulus Jes. 65:2 aanhaalt. En in Rom. 11, het klassieke schone Rom. 11, heeft hij toch zeker ook het gehele volk in het oog. Christus is immers de hope Israëls, Hand. 28:20 en niet alleen voor Juda of Efraim – Israël. Het zijn de 12 geslachten Israëls van Mt. 19:28; Lk. 22:30.
Petrus spreekt Israël hiermee aan, Hand. 2:36, het is « het ganse Huis Israëls ».
Het Huis Israëls is in het N.T. steeds « gans Israël ». In de Evangeliën vindt men deze term in Mt. 10:6 en 15:24. Dat hiermee de 12 stammen werden aangeduid blijk uit Hand. 7:42 — waar Amos 5:25-27 wordt geciteerd — en deze naar de woestijnreis die toch zeker niet door twee noch door tien, maar door alle twaalf stammen is gedaan.
In Heb. 8:8 en 10 vinden we het citaat uit Jer. 31:31 en 33. In Jer. 31:31 en Heb. 8:8 is het Huis Israël alleen het Noorderrijk maar in 31:33 en 8:10 verenigt de Geest beide tot de oude staat van het ene Israël zoals het in de toekomst weer zal zijn.
Nu vatten we al het bovenstaande samen.
Vanaf de scheuring des rijks wordt de naam Israël vaak beperkt tot het Noorderrijk. De Boeken der Koningen en der Kronieken zijn hiervoor het bewijs. Ook de Profeten. Oordeel en straf komt, over het Huis Israël en het Huis Juda. Maar ook zegening. In het N.T. zijn deze onderscheidingen weggevallen. Daarin gaat het over geheel Israël dat in zijn totaal, d.w.z. naar al zijn stammen, in het land woonde. Niet massaal. Alle stammen waren echter vertegenwoordigd. Bijzonder het Johannes-evangelie noemt ze Joden, ook al zijn ze geen Judaieten. Het door de Brits-Israël leer tot volkomen scheiding doorgetrokken onderscheid is met het N.T. voor ogen niet houdbaar en is de eerste afbuiging die tot verkeerde conclusies heeft geleid « Geheel Israël » zal behouden worden door de komst des Verlossers, Israëls Koning, uit Sion. Niet anders. Niet eerder.
Volgens de Brits-Israël leer werd aan het eind der Ballingschap uitsluitend aan hen die behoorden tot de stammen Juda, Benjamin en Levi, samengevat in de benaming « Huis Juda », toestemming gegeven naar Jeruzalem en Juda terug te keren. Van toenaf werden zij « Joden » genoemd. De Joden uit de tijd van Christus waren hun nakomelingen. Zij vertegenwoordigden slechts een klein deel van het oorspronkelijke 12 stammige Israël. De speciale mentaliteit en bijzondere opvattingen die vreemd zijn aan het Mozaisch-Israëlietisch geloof en die verkregen zijn na en als gevolg van de Babylonische Ballingschap vormen het karakterestieke van de Joden vanaf die tijd en gaat door tot in onze dagen.
We gaan een en ander aan de Schrift toetsen.
Toen Jerobeam I met zijn kalverdienst te Bethel begon, hebben velen uit het Noorden zich bij Juda gevoegd. Niet alleen de priesters en levieten die door Jerobeam en zijn zonen verstoten waren van het priesterdom en hun voorsteden en bezittingen verlaten hadden, kwamen naar Juda en Jeruzalem, 2 Kron. 11:13, 14, maar ook vele anderen. « Na die kwamen ook uit alle stammen Israëls (de z.g. 10 stammen) te Jeruzalem die hun hart begaven om de Here, de God Israëls, te zoeken, dat zij de Here, de God hunner vaderen, offerande deden. Alzo sterkten zij het Koninkrijk van Juda en bekrachtigden Rehabeam ». 2 Kron. 11:16, 17. Zij worden apart vermeld. « Doch aangaande de Kinderen Israëls die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook ». 2 Kon. 12:17; 2 Kron. 10:17. De boodschap van Semaja, de man Gods, was gericht tot Rehabeam en gans Israël in de (z.g.) 2 stammen. « Zeg tot Rehabeam, de zoon Salomo's, de Koning van Juda en tot 't ganse Israël in Juda en Benjamin ». 2 Kron. 11:3. Later kwamen er nog meer onder Koning Asa, Rehabeams kleinzoon. « En hij (Asa) vergaderde het ganse Juda en Benjamin en de vreemdelingen met hen uit Efraim en Manassa en uit Simeon, want uit Israël vielen zij hem in menigte toe als zij zagen dat de Here zijn God met hem was ». 2 Kron: 15:9.
Tegen deze uittocht in menigte bouwde Baësa, de koning van Israël, Rama, « opdat hij niemand toeliet uit te gaan en te komen tot Asa de koning van Juda ». 1 Kon. 15:17; 2 Kron. 16:1.
Na de wegvoering naar Assyrië richtte Koning Hiskia een proclamatie « tot het ganse Israël en Juda en schreef ook brieven naar Efraim en Manasse dat zij zouden komen tot het Huis des Heren te Jeruzalem om de Here, de God Israëls, pascha te houden ». 2 Kron. 30:1. De lopers dan gingen henen met de brieven, des Konings en zijner Vorsten door gans Israël en Juda...... zeggende: Gij Kinderen Israëls, bekeert u...... »
Deze oproep ging rond, van Berseba (in Zuid-Palestina), tot Dan (in Noord-Palestina) en was buiten Juda en Benjamin een boodschap voor de ontkomenen die overgebleven waren uit de hand der Koningen van Assyrië, 2 Kron. 30:6. Er wordt ons nog nader vermeld waar de boden heen gingen. « Zo gingen de lopers door van stad tot stad, door het land Efraim en Manasse tot Zebulon toe ». 30:10. Veel succes hadden ze niet want « zij belachten ze en bespotten ze ». Toch kwamen er sommigen van Aser (en van Noord- Palestina) en Manasse (langs de Karmel, in het noordelijk deel van het midden) en Zebulon (tussen Manasse en Aser) die zich verootmoedigd hadden, te Jeruzalem. Vs 11. En uit Issaschar (tussen Manasse en Zebulon) zijn er ook nog gekomen, want er staat: « Want een menigte volks, velen van Efraim en Manasse en Issaschar en Zebulon hadden zich niet gereinigd. » Vs 18.
Ongeveer 80 j. na de wegvoering der Noordstammen naar Assyrië verwoestte Koning Josia altaren en beelden van de afgoden in het Noorderrijk. « Daartoe in de steden van Manasse, Efraim en Simeon (in Zuidwest-Palestina), ja tot in Naftali (geheel in het N: van Palestina) brak hij altaren en bossen af en stampte de gesmede beelden tot gruis, ook alle zonnebeelden in gans Israël hieuw hij af » 2 Kron. 34:6, 7 « Josia dan deed alle gruwelen weg uit de landen die der Kinderen Israëls waren en maakte allen die in Israël gevonden werden, te dienen, te dienen de Here hun God ». Vs 33. Dan luidt het slot: « En de priesters en de levieten en sommigen uit het volk, zo de zangers als de portiers en de Nethinim (tempelhorigen, zij die het zware ruwe werk in de tempel deden) in hun steden en gans Israël in zijn steden ». Ezra 2:70; Neh. 7:73; 7:20.
De eerste inwoners die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israëlieten, de Priesters, de Levieten en de Nethinim. Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda en van de Kinderen van Efraim en Manasse » en dan volgen weer wat namen, 2 Kron. 9:1, 4.
Dat Israël in zijn totaal tegenwoordig was, blijkt uit, Ezra 6:17: « En zij offerden, ter inwijding van dit Huis Gods voor gans Israël, naar het getal der stammen Israëls ». Ezra 6:17. Zij zongen bij de inwijding « bij beurten, de Here lovende en dankende dat Hij goed is ... over Israël ». Ezra 3:11. Zij werden geleid door de hoofden der vaderen van Israël, Ezra 4:3. Ezra moest Israël Gods inzettingen en rechten leren. Ezra 7:10. « Gans Israël had voor de tempelbouw geofferd. Ezra 8:25. Zie ook vs 29. Toen Ezra als leraar kwam, werd weer voor gans Israël geofferd, o.a. 12 varren. Ezra 8:35. Zie voorts 9:1; 10:1, 2, 5, 10 en 25 waar telkens sprake is van Israël. Zo ook in Neh. 7:7, 61, 73; 9:2; 10:33; 11:3, 20; 12:47; 13:3, 18. Men zegge niet dat zij Judaieten zijn die met de algemene naam van Israël worden aangeduid. Immers, de leiders die Judaieten heten « edelen van Juda », Neh. 13:17 en « vorsten van Juda ». Neh. 12:31.
Uit dit alles blijkt duidelijk dat er van het Noorderrijk genoegzaam overgebleven waren die het vertegenwoordigden. Evenzo bleven er over van het Zuiderrijk. « Van het volk die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzaradan, de overste der trawanten, over in het land van Juda ». Jer. 39:10. Een deel er van is later naar Egypte gegaan uit vrees voor harde strafoefening door Nebukadnezar wegens de moord op Gedalja. Jer. 41, 43:4-7.
En hoe was nu de terugkeer? Was hij, zoals geleerd wordt, beperkt tot Juda en Benjamin en Levi? Zeker, we lezen dat zich opmaakten de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin en de Priesters en de Levieten. Ezra 1:5. Maar er staat wat bij: « benevens een iegelijk wiens geest God verwekte ». 1:5b. En dat waren er velen die niet uit Babel waren gekomen. Ezra 6:21 en 22 toch zeggen: « Alzo aten de Kinderen Israëls die uit de gevangenschap wedergekomen waren ... en zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap, want de Here had ze verblijd en het hart des konings van Assur (Assyrië) tot hen gewend om hun handen te sterken en het werk van het Huis Gods, des Gods van Israël. »
De koning van Assur. Het is door de Goddelijke inspiratie dat dit vers zo is neergeschreven als het is. Immers, het Assyrische rijk was reeds lang geleden door het Babylonische overwonnen. En dit weer door het Perzische. Er had dus menselijkerwijs moeten staan: de koning van Perzië. Dit staat er niet, hoewel Darius Hystaspes, die in dit vers bedoeld is, de kleinzoon was van Cyrus en over Perzië regeerde. Om ons nu te doen zien dat ook van de naar Assyrië gevoerde stammen naar hun land zijn teruggekeerd, laat Gods Geest schrijven: de koning van Assur. Israël, weggevoerd in Assyrië, 2 Kon. 17:6, kreeg van Perzië's koning Darius verlof mede terug te keren. Zo weerlegt de Schrift de mening alsof er alleen uit Juda en Benjamin en Levi teruggekeerd zijn.
Dit doet ze nog nader door verdere uitspraken. Waar ook Ezra en Nehemia het onderscheid tussen Juda en Israël volhouden, en wij daaraan nu streng vasthouden, hebben we bewijzen dat geheel Israël, d.w.z. Israël in zijn totaal, na de Ballingschap weer in zijn land vertegenwoordigd was. Ezra 2:2 zegt: « Dit is het getal der mannen des volks Israël ». En dan volgt een opsomming van vele familiehoofden met het aantal hunner verwanten.
Uit het bovenstaande blijkt dit:
le. Uit de meeste, men kan wel zeggen uit alle stammen, zijn er bij de wegvoering resten achter gebleven. Dat waren « de overgeblevenen die van de gevangenschap aldaar in het landschap zijn overgebleven ». Neh. 1:3.
2e. Uit alle stammen, zowel die naar Babel waren gevoerd als die naar Assur waren overgebracht, zijn er weergekeerd.
3e. Zij vertegenwoordigden Israël zowel in de dagen van Ezra – Nehemia – Haggai – Zacharia (Ezra 5:1), waren het overblijfsel des volks (Haggai 1:14; 2:3, 4). Uit dit Israël komt het Israël van het N.T. voort, dat we in de vorige paragraaf telkens weer zagen aangegeven. Het overige deel van Israël bleef buiten het oude vaderland in den vreemde wonen. Dit waren de twaalf stammen (zelfde woord als in Mt. 19:28 en Lk. 22:30 door geslachten is vertaald) die in de Verstrooiing zijn.
Uit zeker vier feiten in het N.T. blijkt dat deze dingen Schriftuurlijk zijn en wel uit de gegevens van Hand. 4:27, 13:17, uit de benaming « Koning Israëls », uit die van « de God Abrahams, Izaaks en Jakobs ».
Hand. 4:27. Hierin wordt gesproken over de « volken Israëls ». Dit woord wijst terug naar Ez. 37:22. De « volken Israëls » waren Juda en (Noord)-Israël. De hoofdstammen waren Juda en Efraim. De volken Israëls zijn (met Pontius Pilatus en Herodes en de Heidenen) tegen Christus vergaderd geweest. Geheel Israël, in al zijn 12 stammen, heeft Christus veroordeeld. Niet « de Joden » hebben Christus gekruisigd, Joden genomen als Judeërs, Judaieten, zoals de Brits-Israël leer wil, maar alle geslachten, de 12 geslachten Israëls. Al deze geslachten zullen eenmaal rouw bedrijven. Zach. 12:12 en 14. Zij vormden het ganse Huis Israël tot hetwelk Petrus zich richt. Hand. 2:36. De term Huis Israël, voorkomend in Mt. 10:6; 15:24; Hand. 2:36; 7:42; Heb. 8:8 en 10, duidt, met uitzondering van Heb. 8:8, waarover we reeds spraken, « geheel Israël » aan. Zo blijkt dat de volken Israël — en niet het volk der Joden alleen — in Palestina vertegenwoordigd waren.
Hand. 13:17. Dit is hiervoor mede bewijs. « De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk verhoogd als zij vreemdelingen waren in het land van Egypte en heeft ze met een hoge arm daaruit geleid ». Zo spreekt Paulus in de synagoge van Antiochië in Pisidië tot hen die hij later « Kinderen van het geslacht Abrahams » noemt (Hand. 13:26). Ze heten in vs 42 « Joden », maar dit wil niet zeggen dat het slechts Judeërs, Judaieten, waren. Paulus spreekt van « Israëlitische mannen. » Vs 16. « Israëliet » heeft, gelijk ook in de overige teksten van het N.T. waarin we deze term aantreffen, een algemene betekenis. Zie Joh. 1:47; Hand. 2:22; 3:12; 5:35; 13:16; 21:28, Rom. 9:4; 11:1; 2 Cor. 11:22. In het buitenland waren dus ook de 12 stammen. Niet twee, terwijl de andere tien dan weggetrokken zouden zijn.
Koning Israëls. Christus wordt vier maal zo genoemd, het eerst door Nathanaël (die niet uit Judea was, maar zeker wel uit Bethsaida, gelegen aan de zee van Galilea, d.i. in de streek van Naftali). Nathanaël ziet in Christus de algemene, over alle stammen heersende Koning. Ook de Farizeën denken daaraan, zij het spottend met Christus. Mt. 27:42; Mk. 15:32. Het volk uit Jeruzalem had Hem reeds bij de intocht zo genoemd en niet « Koning der Joden », hoewel ze in Juda woonden. De Koning Israëls is dus de Koning over alle stammen.
Dat blijkt zijdelings ook nog uit Mt. 19:28, waar Christus zegt te zullen zitten op de troon Zijner heerlijkheid. Dat is de troon Davids. Lk. 1:33. De Koning regeert over Jakobs Huis over alle geslachten Israëls (Jer. 2:4). Israël was dus in zijn totaal in het land.
De God van Abraham, Izaak en Jakob (Israël). Deze benaming, het eerst voorkomend in Ex 3:6, voorts in vs 15 en 16; 4:5; 31:6, is de God der vaderen, 1 Kron. 29:18 en wijst op het ganse Israël, 1 Kon. 18:36, 2 Kron. 30:6. In het N.T. vinden we deze benaming in Mt. 22:32; Mk. 12:26; Lk. 20:37; Hand. 3:13 en 7:32; Mk. 12:26; Lk. 20:37; Hand. 3:13 en 7:32. (Met het O.T. mee 12 maal, waaruit de verbondenheid met Israëls 12 stammen spreekt). Petrus noemt Hem dan ook, evenals Mozes en David, de God onzer vaderen, wat zeker niet alleen op twee stammen kan slaan.
Met dit als aanvulling en uitbreiding herhalen we de conclusie, waartoe we reeds kwamen, n.l. deze:
Er was een dubbel Israël, een in het Land Israël, het ganse Huis Israël, Hand. 2:36, een daar buiten « de twaalf stammen die in de Verstrooiing zijn », Jak. 1:1. Dit zijn de vreemdelingen verstrooid in Pontus, Galatië Cappadocië en Bithinië (alle provincies van Klein-Azië) en zeker ook wel in Babylon. 1 Petr. 1:1 en 5:13.
Het niet zien van dit dubbele Israël is de tweede afbuiging die tot een scheefgetrokken inzicht voert.
4. De benamingen « Jood » en « Joden ». (Top)
Volgens de Brits-Israël leer zijn de benamingen « Jood » en « Joden » eerst na de Ballingschap opgekomen en duiden zij alleen de mannen van Juda aan, de Judaieten. Deze zijn wel in algemene zin Israëlieten, maar niet alle Israëlieten zijn Joden, (evenals alle Hollanders Nederlanders zijn, maar niet alle Nederlanders Hollanders, d.i. mensen uit N.- of Z.-Holland). Zij die tot de 10 stammen behoren zijn geen Joden. Laat ons nagaan of dit voor de Schrift houdbaar is.
De naam « Joden » komt het eerst voor in het tweede Boek der Koningen, n.l. in hoofdst. 16 en 25. In 2 Kon. 16:6 lezen we dat Rezin, de koning van Syrië, de Joden uit Elath (een havenstad aan een der zeearmen van de Schelfzee) wierp en in 2 Kon. 25:25 dat Gedalja, Nebekadnezars stadhouder en de bij hem zijnde Joden en Chaldeën vermoord werd. Voor de Ballingschap was, blijkens 2 Kon. 16 de naam Joden al in zwang. Hij kwam er niet eerst er na in gebruik. En dat hij niet betekent « man van Juda » zal het volgende aantonen.
Het woord « Jood » is in het Hebr. Jehudi (uit te spreken als Jehoedi). In Jer. 36:14, 21, 21 en 23 komt het als onvertaalde eigennaam voor en vinden we dat Jehudi iets voor de vorsten van Juda en voor de Koning doen moest. Overigens is het woord vertaald door Jood; het meervoud is Jehudim, Joden. In het enkelvoud komt het in het O.T. voor in Esther 2:5 en wordt in dat Boek 7 maal gesproken van Mordechai de Jood (3:14; 5:13; 6:10; 8:7; 9:29, 31; 10:3), hoewel Mordechai uit Benjamin was, 2:5, en geen Judaiet; verder vinden we het woord Jood in Jer. 34:9, Zach. 8:23 en in het N.T. in Joh. 4:9; 18:33, 8 maal in Hand. en 11 maal in Paulus' brieven. Het meervoud komt veel vaker voor in het O.T., behalve in 2 Kon. 16 en 25 in Ezra 8 maal, in Nehemia 10 maal; in Esther 44 maal, in Jer. 9 maal; in het N.T. in Mt. 5 maal, in Mk. 7 maal, in Lk. 5 maal, in Joh. 69 maal, in Hand. 74 maal, in Rom. 2 maal, in 1 Cor. 7 maal, in Gal. 2 maal en in de Openb. 2 maal.
Jehudi (Jehoedi) betekent « Godlover ». Als we die betekenis in het oog houden, is het ontstaan van deze benaming licht te verklaren. Toen Jerobeam de kalverdienst in het Noorderrijk invoerde, verlieten vele Israëlieten dat rijk en voegden zich bij Juda; dat waren zij die de Here trouw wilden blijven. Toen is de naam Jood (Joden) gekomen. Die werd gegeven aan hen die de ware God Israël wilden dienen. De naam had een godsdienstige betekenis. Joden waren maar niet « mannen van Juda », het waren in het begin godsdienstige Israëlieten, mannen (en vrouwen) uit Israël wier godsdienstig centrum in Jeruzalem lag. Joden was geen stamnaam, het was een supra-stamnaam, een die boven de stammen uitging. Elk die aan 's Heren wet vasthield en des wegen uit Jerobeams rijk uitweek naar Juda, werd een Jehoedi genoemd, een betrachter van Mozes' wet en nog dieper: een Israëliet die de Here vreesde. Een man uit Juda kon een Jood zijn, maar niet elke Jood behoefde een man van Juda te wezen. We keren de dingen der Br.-Isr.-leer dus om. Deze zegt: de naam Jood is beperkt tot mensen uit Juda (de stam Benjamin wil men er dan nog wel bijnemen), terwijl wij beweren: de naam Jood is een supra-stamnaam, hij strekt zich uit tot alle Israëlieten die de Here waarlijk wilden dienen. Wat we willen bewijzen.
Bewijzen dat de benamingen « Jood » en « Joden » boven alle stamnamen uitgaan.
1.Naast de benamingen « Jood » en « Joden » vinden we in dezelfde Boeken waarin zij voorkomen andere termen gebruikt om de stam of het rijk van Juda aan te wijzen. Zo vinden we naast 2 Kon. 16:6 en 25:25, waarin sprake is van « Joden » de termen « Huis van Juda » in 2 Kon. 12:21 en 19:30, « Stam van Juda » in 2 Kon. 17:18, « Mannen van Juda » (d.i. Judaieten) in 2 Kon. 23:2, « Volk van Juda » in 2 Kon. 14:21. Naast « Joden » in Jer. 32:12; 38:19; 40:11, 12; 41:3, 9; 44:1; 52:28, 30; vinden we « Huis van Juda » in 3:18; 5:11; 11:10, 17; 12:14; 13:1; 31:27, 31; 33:14; 36:3, « Mannen van Juda » (Judaieten) in 4:3, 4; 11:2, 9; 17:25; 18:11; 32:32; 36:31; 44:26, 27; « Volk van Juda » in 25:1, « Kinderen van Juda » in 7:30; 32:30, 32; 50:4, 33. Indien Joden Judaieten waren, was er geen noodzaak nog weer andere benamingen te gebruiken; de hierboven genoemde termen hadden kunnen volstaan. God wil daarom met de namen « Jood » en « Joden » iets anders uitdrukken.
2.In het Boek Esther komen uitsluitend de termen « Jood » en « Joden » voor; het meervoud 44 maal. Niet zonder reden. Het betrof hier een strijd van Amalek (Haman was een afstammeling van de Agag uit 1 Sam. 15) tegen Israël en dit bijzonder om godsdienstige redenen. Mordechai wilde voor Haman niet buigen omdat hij een Amalekiet was tegen wie de oorlog des Heren moest gevoerd worden. Nadat Haman gevallen was en de Joden zich mochten verdedigen, waren er bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vrolijke dagen. En daaraan wordt toegevoegd: « En velen uit de volken des lands werden Joden, want de vreze der Joden was op hen gevallen ». Esther 8:17. Werden het Judaieten of Benjaminieten zoals Mordechai was? Of betekent het dat ze op zijn minst besneden werden en voorts overgingen tot Israëls godsdienst en Israëls God gingen dienen en in een of andere stam werden opgenomen? Wij menen het laatste.
Maar, zeggen de voorstanders der Brits-Israël leer, er waren in de 127 landschappen die zich uitstrekten van Indië tot aan Morenland (Esther 1:1) geen Israëlieten meer. Tijdens de overgang van het Babylonische naar het Perzische rijk waren ze bij de bronnen van de Eufraat over de passen van de Kaukasus naar Azië ontsnapt; er woonden dus nog alleen Joden, Judaieten. Ahasveros mocht dan over die 127 landschappen regeren, hij regeerde niet over Israëlieten uit het Noorderrijk, over Efraim-Israëlieten, om ze zo te noemen.
Men is hiermee echter afgegaan op een apocrief boek, Ezra 4:39-47 en op wat men uit Josephus' geschriften meent te moeten opmaken. Wat zulke schrijvers ook gezegd mogen hebben of hoe men het opvat, voor ons geldt alleen de Schrift. We erkennen geen apocriefe Boeken als bron van gezag. We zouden daarmee Rooms-Katholiek worden. Christus heeft ze ook niet als gezaghebbend aangemerkt, want Hij onderrichtte alleen uit de Wet – de 5 Boeken van Mozes –, de Profeten – de 8 Boeken van Jozua, Richteren; 1 en 2 Samuel (één boek) , 1 en 2 Koningen (één boek), Jesaja, Jeremia, Ezechiël en de 12 kleine Profeten (Hosea – Maleachi) en de overige Boeken, Psalmen, genoemd.
In Ezra 6:14 worden ons 3 Perzische koningen genoemd: Kores, Darius, Artasasta. In het Boek Esther vinden we Ahasveros vermeld. Deze gaat aan de genoemde drie vooraf. Zijn zoon (en waarschijnlijk mede die van Esther) was Kores of Cyrus. Welnu, indien in Ahasveros' rijk geen Israëlitische stammen buiten de 3 (Juda, Benjamin, Levi) waren, hoe is het dan mogelijk dat er na Kores Kinderen Israëls uit de gevangenschap van Assur, het land waarhenen die van het Noorderrijk waren overgebracht (2 Kon. 17:23), wederkeerden? Waarom zouden we nu onder de Kinderen Israëls die uit de gevangenschap wederkeerden (Ezra 6:21) alleen de Judaieten moeten verstaan, terwijl de naam Israël 18 maal in Ezra voorkomt en Kinderen Israëls 3 maal (3:1; 6:21; 7:7), en in Nehemia Israël 12 maal en Kinderen Israëls 9 maal wordt vermeld? En dat terwijl Ezra en Nehemia daarnaast ook de benamingen Jood en joden gebruiken. Zie Ezra 4:12, 23; 5:1, 5: 6:7, 7, 8, 14; Neh. 1:2; 2:16; 4:1, 2, 12; 5:1, 8, 17; 6:6; 13:23. Indien hiermee niet geheel Israël wordt aangeduid, zou dit zeer verwarrend zijn. Maar indien Joden de supra-stamnaam is om hun godsdienst aan te duiden en de andere termen dienen om er al de stammen onder samen te vatten, is er geen onduidelijkheid of verwarring.
3.Komende tot het N.T. vinden we dat Petrus zich een Joods man noemt, Hand. 10:28, hoewel hij uit de streken van Zebulon en Naftali was, het Galilea der Heidenen (Jes. 8:23) dat een groot licht zou zien (9:1 ). Paulus noemt zich ook een Joods man, Hand. 21:39; 22:3, hoewel hij weet uit de stam van Benjamin te zijn, Fil. 3:5. Hij ook noemt Petrus een Jood en zichzelf andermaal zo, Gal. 2:14, 15. Dit klopt niet met de Brits-Israël theorie.
4.Verder vinden we in het N.T. de tegenstelling Jood-Griek, Rom. 1:16; 2:9, 10; 3:9; 10:12; 1 Cor. 1:22, 23, 24; 10:32; Gal. 2:3; 3:28; Col. 3:11. Evenmin als « Griek » hier uitsluitend de bewoners van Griekenland aanwijst, zo wijst « Jood » hier uitsluitend de bewoners van Juda of Judea aan. De « Griek » was de kultuurmens van die dagen, het zij deze nu Griek, Romein of Aziaat was; het was de mens (die wijsheid zocht, de man en (vrouw) van beschaving, van kennis en kunst. De « Jood » was de monotheistische, godsdienstige mens die leefde naar de openbaring Gods, die een profetische hoop had, de hope Israëls en een God, de God Israëls, wiens godsdienst stond tegenover die van het Heidendom en die in Jeruzalem zijn godsdienstig centrum had. Ook uit deze tegenstelling blijkt, dat Jood niet betekent Judaiet maar een andere betekenis heeft.
5.Dat blijkt andermaal als we die tegenstelling nagaan in 1 Cor. 10. Er waren in die dagen drie hoofdstromingen: Joden, Grieken en de Gemeente Gods. 10:32. Joden en Grieken waren tot een lichaam gedoopt, 12:13. Passen we nu de Brits-Israël theorie toe, dan zouden dus alleen Judaieten en echte Grieken tot een lichaam gedoopt zijn. Wie logisch nadenkt gevoelt, dat de Brits-Israël leer ook hier vastloopt op de onwrikbare feiten van Gods Woord en weer een afbuiging toont.
6.Paulus leert ons in Rom. 2:28 en 29 wat een « Jood » is. Dat is een Israëliet wiens lof niet is uit de mensen maar uit God. Een Godlover. Hij wijst hiermee tevens aan dat het woord een godsdienstige gesteldheid aangeeft en geen stamnaam is.
Dat blijkt ook uit Rom. 3:1. Joden zijn de mensen aan wie de woorden Gods zijn toebetrouwd. En deze zijn niet alleen aan Judaieten gegeven maar aan de Israëlieten in het algemeen, zonder stamonderscheid. Een echte Jood was dan de mens die ze houden wilde en op Gods genade wilde steunen. Rom. 2:28, 29.
7.Bijzonder in het Johannes evangelie dat voor niet-Joden geschreven is, worden de Joden vaak aangeduid als vijandige tegenstanders van Christus en in Hand, veelal als die der Apostelen; het zijn zij die de Messiaanse prediking verwerpen. Dat waren niet alleen de « mannen van Juda », maar de Israëlieten in het algemeen. Gamaliëls woorden bewijzen dat. Hij spreekt de (Joodse) Raad aan met « Gij Israëlitische mannen ». Hand. 5:35. En hij, de grote leraar der wet, zal zeker geweten hebben dat geheel Israël vertegenwoordigd was, nochtans worden zijn hoorders Joden genoemd.
8.Ten slotte nog een duidelijk bewijs. In Zach. 8:23 staat: « Het zal in die dagen (nl. als het Huis Juda en het Huis Israël tot een zegen gesteld wordt, vs 13 en men 's Heren aangezicht in Jeruzalem zal zoeken, vs 12) geschieden dat tien mannen uit allerlei tongen der Heidenen grijpen zullen, ja de slip grijpen zullen van een Joodse man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat de Here met ulieden is ». Gelooft men nu, dat die Joodse man alleen een man uit Juda zal zijn en geen Simoniet, Benjaminiet, Efraimiet, Massaniet, enz. waar vs 13 het heeft over de beide Huizen Israëls? Zacharia spreekt over de stammen Israëls, 9:1 en hij voorzegt dat het Huis Jozefs en het Huis Juda weer ingezet zullen worden, 10:6.
We willen nu het voorafgaande samenvatten.
De Jood was eerst de waarlijk vrome Israëliet in Judea woonachtig, later de godsdienstige mens uit Israël voor de Heidenwereld (Grieken, Romeinen, enz.). Hij kreeg de naam Jood omdat hij zich in Juda gevestigd had waar de tempel stond. Die naam werd toen voor de Heidenen de aanduiding der Israëlieten. Dit bewijst de uitspraak van Petrus en Paulus dat zij Joodse mannen zijn. In teksten van het evangelie van Johannes en van de Handelingen heeft het de betekenis van mannen uit Israël die Christus en Zijn volgelingen tegenstonden. Dat ze niet alleen uit Juda waren blijkt uit de benaming Israëlieten, die hun door Petrus, Paulus en Gamaliël gegeven werden en niet minder uit de benamingen Huis Israël, Kinderen Israëls, geslachten Israëls bij de N.T. schrijvers.
Deze namen wijzen op hun uitverkiezing.
We kunnen hier een parallel trekken met de benaming Christenen. De bewoners van Europa en Amerika die het Christendom aangenomen hebben, heten naar buiten, d.w.z. t.o.v. Joden, Mohammedanen en Heidenvolken, Christenen. Of zij echte ware Christenen zijn wordt er niet door uitgedrukt. Ze wonen in of zijn uit de z.g. christelijke landen, onderscheiden zich, ook al doen zij niets aan hun « geloof », van de andere volken die andere godsdiensten belijden. Deze onderscheiding is ontstaan uit het geloof der eerste Christenen. Zo nu ook met de naam Joden. Ontstaan uit de echte Godlovers en ware aanbidders werd de naam aanduiding van de godsdienstige mensen uit Israël, de dragers van het monotheisme, het geloof in één God en van de Mozaische wet, al of niet in kracht verkort. De Jood staat tot de Griek niet als Judaiet tot Helleen, maar als besnedene tot onbesnedene, als mens bekend met Gods geopenbaarde wil tot hen die zonder God Jakobs in de wereld waren.
In de loop der eeuwen is deze tegenstelling verdwenen. De term Jood is van het godsdienstige terrein op een ander vlak overgegaan. De benaming Joden wordt nu in ethnologische zin gebruikt, d.w.z. naar de afstamming uit het volk Israëls. Niet alleen uit Juda.
Volgens de Brits-Israël leer hebben de 10 stammen hun volksidentiteti verloren, weten zij niet eens meer dat zij Israëlieten zijn; zij die nu Joden heten, zijn allen uit Juda, dat bovendien verschillende vreemde volksdelen in zich opgenomen heeft. Wij voor ons menen dat de « Joden », d.i. de Israëlieten, hun stamidentiteit verloren hebben. Niet de volksidentiteit. Zij weten niet meer uit welke stam ze zijn. God echter weet dit wel en zal het hun, hoe dan ook, te kennen geven. In de eindtijd zullen zij het weten; dan gaat God uit alle geslachten er 12.000 verzegelen. Op. 7. Dan zijn alle stammen er weer. We geloven echter niet dat er dan 12000 Engelsen, 12000 Nederlanders, 12000 Amerikanen uit de V. St. enz. zullen verzegeld worden, want Israël zal verstrooid zijn onder alle volken tot zijn wedervergadering door Christus.
Uit het een en ander blijkt de derde afbuiging.
III. Toetsing Van De Opbouw Van De Brits-Israël leer
1. De Opbouw. (Top)
We gaan nu over tot toetsing van de opbouw der Brits-Israël leer. Deze is als volgt: « De profetieën leren duidelijk dat het verloren huis Israël na de verbanning naar Assyrië onder de Heidenen en in verschillende landen zou worden verspreid (Deut. 4:27, 28; Ez. 20:22) en daarna weer vergaderd en in de « woestijn der volken » gebracht. (Ez. 20:33-37) waar het o.a. als machtig en onoverwinnelijk (Deut 15:6; Jer. 51:20; Mich. 4:7; Jes. 54:15, 17) zeevarend volk (Jes. 42:10-12; Ps. 89:26) onder andere naam (Jes. 62:2) en blind voor eigen identiteit (Jes. 42:16, 18, 19; Rom. 8, 25) op de geisoleerde veilige « bestelde plaats » (Num. 23:9; Deut. 33:28; 2 Sam. 7:10-12) van de « eilanden der zee » onder het Nieuwe Verbond in Christus zou komen (Jes. 42; Jes 49; Jer. 31), waardoor het in een tijd van materiële en geestelijke beproeving (de « tijd van Jakobs benauwdheid », Jer. 31:7, 10-12) tenslotte als volk weer geheel tot God zal kunnen terugkeren (Jer. 31:33, 34). » (Citaat uit: De Israël- waarheid van A. A. Gips met tekst opgave).
We willen eerst de genoemde teksten stuk voor stuk nagaan, vervolgens nog enige hier niet genoemde bespreken en daarna enkele punten in aparte hoofdstukken uitwerken.
2. De verstrooiing onder de Heidenen. (Top)
Deut. 4:27-29, het verstrooien onder de Heidenen, het als klein volksken onder hen overblijven, het aldaar andere goden dienen en het zich bekeren tot de Here, is niet los te maken van Deut. 28 en 30. Het is er een korte inleiding voor. We moeten vs 30 er bij leren: « Wanneer gij in angst zult zijn en u al deze dingen (van vs 27 en 28 die uitgewerkt worden in Hfdst. 28 en 30) zullen treffen, in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot de Here, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn ». De term « het laatste der dagen » behoeft niet te betekenen: in de eindtijd. Maar, zoals gezegd, Deut. 4 is niet los te maken van de uitwerking er van in Deut. 28 en 30, zie 28:64, daaruit blijkt dat van de wederkeer tot de Here nog geen sprake is. Men lette er op dat Deut 4, 28 en 30 gesproken worden tot het gehele volk Israël. Niet tot 10 stammen er van. Vs 1 luidt immers: « Nu dan, o Israël ». Welnu, dat gehele Israël, heeft zich nog niet bekeerd. Noch de 10, noch de 2 stammen. Bewijs? Indien dit geschied ware, was Christus wedergekomen. Petrus zegt dit immers in Hand. 3:19-21: « Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden en opdat (Grieks, niet: wanneer) de tijden der verkwikking mogen komen van het aangezicht des Heren en Hij u zenden moge Jezus Christus die u te voren gepredikt is, Die de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen die God gesproken heeft door de mond van zijn heilige profeten vanaf de eeuw (grondtekst) ». Hieruit blijkt duidelijk dat Christus' wederkomst alleen dan daar is als Israël zich bekeerd heeft. Daar hangt ze van af. Welnu, dit is niet geschied. Israël heeft zich niet bekeerd. De dreiging is geschied tot gans Israël, de belofte is ook tot gans Israël. En de bekering geldt ook gans Israël. Deut. 30:1, 2.
De bekering bereft niet eerst de 10 stammen, daarna de 2, maar alle 12. Terzelfder tijd. Dat Brits-Israël en Nederlands Israël dus niet Israël is, volgt uit het feit dat Christus niet is wedergekeerd.
Indien men zou zeggen: Zij moeten zich nog bekeren, dan kunnen zij niet in het Nieuwe Verbond staan, dan zijn zij nog in hun zonden. Maar dan kunnen zij ook niet weer vergaderd zijn. Deut. 4:29 zegt immers duidelijk: « Dan zult gij u vandaar bekeren ». Dat is als ze onder, te midden van de Heidenen zijn. Dan kunnen ze echter geen volken op zich zelf zijn. De tekst van Deut. 4 keert zich zelf tegen de Brits-Israël leer. En niet minder het feit, dat Christus niet is wedergekeerd.
Hiermee vervalt ook de mening alsof Deut. 15:16 het lenen aan vele volken en het hen overheersen nu kan plaats hebben. Ook deze belofte betreft alle stammen. Niet 10 van de 12. Het is nog toekomstig zoals Deut. 30 laat zien.
3. De afgekeerde Hand. (Top)
Ez. 20:22. Het afkeren van Gods Hand opdat 's Heren naam niet ontheiligd zou worden onder de Heidenen slaat heel niet op de verstrooiing waarin Israël zich nu nog bevindt. Het betreft Israël voor het nog in Kanaan was.
Israëls zonen handelden als hun vaderen. Opnieuw dreigt de ondergang. Maar deze wordt nog afgewend. De Here gedenkt er aan dat Hij ze heeft uitgevoerd uit Egypte en wil Zijn naam niet ontheiligd zien onder de Heidenen. Die zouden zeggen: Israëls God heeft hen wel uitgevoerd maar kan ze niet in het land brengen. De dreiging van ondergang blijft echter over Israël hangen. Lev. 26 en Deut. 28.
4. De woestijn der Volken. (Top)
De woestijn der volken is voor de Brits-Israël leer het Britse eilandenrijk. Daarop zou 10-stammig Israël onder het Nwe Verbond leven.
Allereerst zij opgemerkt dat « eilanden » in de Schrift nimmer de geheel door de zee omgeven stukken land zijn die wij er onder verstaan. Het Hebr. woord betekent « kustlanden », hetzij van een eiland, hetzij van het vasteland. Deze opmerking zou in het voordeel der Brits-Israël leer kunnen zijn, daar zij ook over N.W.-Europa spreekt. Maar is dit gebied de « woestijn der volken »?
Een woestijn is geen gebied van welvaart. Evenmin als de woestijn van Egypte dat was, waardoor de vaderen trokken, vs 36. Zoals die daar onder het oordeel kwamen en gerecht werden, zo zal dit geschieden met het Huis Israël in de woestijn der volken. Wat deze is, is niet zo gemakkelijk te zeggen. Het is niet Kanaan, want de overtreders zullen in het landschap Israëls niet komen. Vs 38.
Sommigen nemen deze term figuurlijk op. Zij zeggen: Die woestijn der volken is een complex (samenstel) van ervaringen. Een woestijn is een land waar niemand doortrekt en niemand woont, Jer. 2:6, een land der beproeving en ellende, Jer. 2:31. Zo is de woestijn der volken Israëls beproeving onder de volken. Maar deze verklaarders lezen niet wèl: er staat immers dat de Here ze verzamelen zal uit de Volken en vergaderen uit de landen hunner verstrooiing en dan zal brengen in de woestijn der volkeren waar ze gericht zullen worden. Het woord heeft dus niet de figuulijke betekenis van beproeving en ellende, maar wijst een plaats, een gebied aan. De ervaring die ze zullen hebben ligt niet uitgedrukt in het woord « woestijn », maar in het werk des Heren, het rechten. Zo blijft de woestijn der volken als een concreet gebied staan. Waar het is? Zeker niet de Britse eilanden. Die zijn geen woestijn, die droog is, Zef. 2:13.
De Here zal het Huis Israëls (zie vers 31) uit de Volken uitvoeren en vergaderen uit de landen waarin ze verstrooid zijn en ze brengen in de woestijn der natiën. Wat deze ook mogen zijn, het is niet een plaats van welvaart maar van oordeel. « Aldaar zal Ik met u rechten », vs 36. Hoe kan dat voorspoed zijn onder het Nieuwe Verbond. Dit is er dan nog niet eens, want vs 37 zegt dat de Here hen onder de roede zal doen doorgaan en brengen onder de bond des verbonds. De roede is de herdersstaf; het er onder doen doorgaan is het tellen van hen. Eerst zo kunnen ze in het verbond, het Nieuwe, ingeplant worden. Tevens zal er uitzuivering zijn. De overtreders worden wel uit het land hunner vreemdelingschappen uitgevoerd, maar niet in het land der belofte ingeleid.
Men lette wel op de woorden: « het land der vreemdelingschappen ». Indien met dat Huis Israël alleen de 10 stammen bedoeld waren, dan nog zouden deze wonen in een land der vreemdelingschap. Dus een waarin ze zich geen heer en meester gevoelden evenmin als Abraham dit deed toen hij oudtijds in Kanaän woonde. Dat was voor hem toen het land der vreemdelingschap (Gen. 17:8), waarin hij geen voetstap bezat (Hand. 7:5). Men wint dus niets met zijn leer; waar de z.g. 10 stammen ook wonen, het is voor hen een land der vreemdelingschap. Geen eigen land.
We geloven dat we deze zaak kunnen oplossen met Hos. 2:13: « Ik zal ze lokken in de woestijn ». We krijgen dan deze parallel: Oud-Israël trok uit Egypte naar het beloofde Land. In de woestijn werd het gericht. Nieuw-Israël zal in diezelfde woestijn weer vergaderd worden, daar zal het evenals Oud-Israël gericht worden. Evenals niet allen die uit Egypte uitgingen in het Land kwamen, zullen niet allen die in de toekomst in de woestijn der volken vergaderd zullen worden, in het landschap Israëls komen. Het gelovige deel dat reeds in de eindtijd in het Land woont, zal wegens de vervolging van het Beest ook naar de woestijn vluchten. Dit deel heet in Openb. 12:6 « de Vrouw ». Waar met « de Vrouw » geheel Israël wordt aangeduidt, zijn dus in die tijd ook de 10 stammen daar vertegenwoordigd en kunnen ze dus niet als Europese volken in N.W.-Europa wonen.
Hoe ook anders verklaard, Ez. 20:33-38 spreekt over een oordeel. Niet over een zegening in het Nieuwe Verbond. We nemen woestijn der volkeren concreet op als een woestijn. Niet als een cultuur- of gecultiveerd land. De woestijn van Egypte is concreet, die der volkeren zal het ook zijn. Deze woestijn is buiten de landen der volkeren waarheen Israël getrokken is, kan dus reeds daarom niet de Britse eilanden en de kusten van Europa zijn.
5. De verder genoemde teksten. (Top)
Jer. 51:20. Waar Babel nog niet gevallen is — Openb. 18 is immers nog niet vervuld — daar is Israël nu geen voorhamer om volken in stukken te slaan. Jakob duidt hier het hele volk aan.
Jer. 50 en 51 zijn veelszins onvervuld. Het gaat hier over de eindtijd. « Ten dage en terzelve tijd zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda te samen; wandelende en wenende zullen zij henengaan en de Here hun God zoeken ». Jer. 50:4. « In die dagen en die tijd, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn en de zonden van Juda maar zij zullen niet gevonden worden, want Ik zal ze degene vergeven die Ik zal doen overblijven » Jer. 50:20. Men ziet, beide Huizen gaan gelijk op. Niet de een voor de ander. Derhalve kan Jer. 51:20 niet reeds hebben plaats gehad.
Micha. 4:7. Dit kan niet losgemaakt worden van Micha 4:1-4. Is de top van de berg van het Huis des Heren al vastgesteld op de top der bergen? Gaan de volken al op naar Jeruzalem om van Hem Zijn wegen en paden te leren? Zijn de zwaarden al tot spaden, de spiesen al tot sikkels geslagen? Leert men al geen oorlog meer? Welnu, « te dien dage » wordt het hinkende Israël vergaderd en tot een machtig volk gemaakt waarover niet het Engelse koningshuis regeert vanuit Londen, maar de Here koning is op de berg Sion. Micha 4:7.
Jes. 54:15, 17. Jes. 54 gaat over de verlaten vrouw, de huisvrouw der jeugd. Vs 6. Dus over geheel Israël. Dan mag men vs 15 en 17 niet toepassen op een deel. Dat zou zijn de Vrouw verminken.
Jes. 42:10-12. Dit is de toekomst. « Gij die ter zee vaart »
behoeven toch geen Brits-Israëlieten te wezen. De « eilanden » zijn geen eilanden maar kustlandenen.
Ps. 89:26. Men leest toch wel zeer slecht. Vs 26 behoort tot een deel dat in vs 19 begint en loopt tot vs 37. Hierin herinnert Ethan de Here aan Diens verbond met David, Vs 26 zegt, dat Davids hand in de zee gezet zal worden en zijn rechterhand in de rivieren. « Zo Ik aan David lieg » heeft de Here eens gezworen. Het gaat hier dus helemaal niet over Brits-Israël en de medestammen, het gaat over hem, waarvan vs 21 zegt: « Ik heb David mijn knecht gevonden. »
Jes. 62:2. Dit kan in het geheel niet op Brits-Israël en zijn medegenoten slaan. Al aannemende dat hun naam veranderd was, dan nog zou men in deze tekst hiervoor geen bewijs kunnen vinden, want dit wordt van Sion en Jeruzalem gezegd en deze zijn geen tien — maar tweestammig Israël!
Jes. 42:16, 18, 19. God zal de blinden leiden door de weg die zij niet geweten hebben. Is dit een bewijs dat dat verheidenste tienstammige Israël niets van zijn identiteit weet? Dit is al te naief. Maar, indien het blind zijn ziet op het niet weten van eigen identiteit, waarop ziet het doof zijn van vs 19 dan? Op het niet willen horen van die identiteit? Dan zal de propaganda der Brits-Israël leer weinig succes hebben. Ze heeft dit wel. Dus deze doven zijn dan toch niet doof!
Vs 19 slaat op Israël, dat zij toegegeven. Maar dan op geheel Israël. Mede dus op de Judaieten. Dat blijkt ook uit het parallelisme: Jakob...... Israël van vs 24. Hfdst. 43:1 spreekt dan ook met de dubbelnaam het hele volk aan.
Het blinde volk — men moet hiervoor niet Jes. 42:16 maar 43:8 citeren — heeft ogen en oren. Het is niet blind noch doof voor zijn identiteit, anders had de Here het niet kunnen aanspreken met Jakob-Israël, maar het is blind en doof geweest voor heel wat anders: voor 's Heren woord; het heeft Hem niet aangeroepen, dit Jakob-Israël, Zijn woord en wil niet gedaan, 43:22-24. Dat is zijn blindheid en doofheid. Hiervan zal de Here hen genezen en dan zal dit Jakob-Israël niet zeggen: Ik ben een Brits-Israëliet of een Amerikaan-Massaniet of een Hollander-Zebuloniet of een DeenDaniet, enz, maar: Ik ben des Heren. Jes. 44:5 en zich toe noemen met de naam Israël, dus zeggen: Ik ben des Heren Israëliet.
Rom. 11:8 heeft geen betrekking op Israëls identiteit maar op Israëls verharding van vs 7. Vs 8 ziet niet op de 10 stammen alleen maar op geheel Israël. Het is citaat van Jes. 29:10. Vs 13 spreekt dan ook van « dit volk ». Maar al zou men het op een deel van Israël willen laten slaan, dan is dit zeker niet 10 stammig Israël maar is het Ariël, Jes. 29:1 en 2, dit is Jeruzalem. (Ariël betekent óf de leeuw Gods of de vuurhaard. Ez. 43:19)
Rom. 11:25. Dit vers keert zich tegen de Brits-Israël leer. De verharding is over Israël gekomen totdat de volheid der Heidenen (we geloven dat we dit zo moeten lezen: totdat de volheid van de tijden der Heidenen) zal zijn ingegaan. Hoe men de laatste zinsnede ook opvat, het gaat hier over Israël. Zelfs als 10 stammig Israël hiermee zou zijn aangeduid dan zou er tweeërlei uit blijken. le Israël was er nog, dus niet weggetrokken om rond te zwerven en 2e het was niet bekeerd, dus stond ook niet in het N. Verbond. Men wint met dit citaat dus niets.
Num. 23:9. Dit volk zal alleen wonen. Zeker. Maar niet 10 stammig, maar 12 stammig Israël, het Jakob-Israël van vs 7 en 10.
Deut. 33:28. « Israël dan zal zeker alleen wonen en Jacobs oog zal zijn op een land van koren en most, ja zijn hemel zal van dauw druipen ».
Is Engeland en Nederland enz. een land van most? Het parallelisme bewijst te meer dat het over het hele volk Israël gaat. Mozes sprak tot de ongedeelde Kinderen Israëls, 33:1.
2 Sam. 7:10-12. We hebben reeds aangetoond dat de bestelde plaats niet Engeland, enz. is maar Kanaän. De « plaats », d.i. het aangewezen Land, is wel besteld, maar God heeft nog niet het tweede gedeelte van 2 Sam. 7:10 vervuld: dat hij aan zijn plaats wone en niet meer heen en weder gedreven worde. Israël heeft het Land slechts een weinig tijds bezeten (Jes. 63:18). Dit is wegens zijn ongerechtigheid. Evenwel zal God aan Zijn verbond gedenken en hun het Land geven tot een eeuwige bezitting, Gen. 17:8; dan zal het niet meer heen en weder gedreven worden. De tijd zal komen dat God zal gedenken aan Zijn verbond met Jakob en aan Zijn verbond met Isaak en ook aan Zijn verbond met Abraham. En dan zal Hij ook aan het Land gedenken. Lev. 26:42. Men zie wanneer dat is in vs 41.
De eilanden der zee zijn, zoals reeds gezegd is, geen eilanden maar kustlanden, hetzij van het vasteland hetzij van een eiland.
Het Nieuwe Verbond moet nog voleindigd worden. Dit bespreken we apart.
Jes. 42, 49 en Jer. 31 hebben betrekking op het gehele volk. De stammen Jakobs van Jes. 49:6 zijn zeker niet de 10 stammen. Deze term komt maar een maal voor, maar in 1 Kon. 18:31 vinden we een bijna gelijkluidende: de stammen der Kinderen Jakobs en daaruit blijkt duidelijk dat zij geheel Israël omvatten. Er is geen afzonderlijke oprichting van 10 stammen. De dubbelnaam Jakob-Israël wijst mede op het twaalftal stammen.
Jer. 31 slaat op heel Israël. Vs 33 vat de in vs 31 nog afzonderlijk onderscheiden delen als een geheel samen in de benaming « Huis Israëls ».
Jer. 30:7, 10-12. De tijd van Jakobs benauwdheid. Ook hier kent men te weinig de eenheid der Schrift. De tijd van Jacobs benauwdheid is aan het eind van deze aioon (eeuw). Daniël 12:1 spreekt er over. Dan is het zulk een tijd van benauwdheid als er niet geweest is sinds dat er een volk geweest is tot op die tijd toe. Dan eerst zal Israël verlost worden als Michaël, de grote Vorst, zal opstaan. Wanneer dit is, is te leren in Dan. 11:45 n.l. dan als de Koning die doen zal naar zijn welgevallen, wat voor ons is « de Kleine Hoorn » van Dan. 7 en 8 of om met Paulus te spreken « de mens der zonde » (2 Thess. 2) uitgetrokken is en zijn tenten heeft geplaatst tussen de zeeën aan de berg des heiligen sieraads, d.i. tussen Middellandse- en Dode Zee aan de tempelberg. « Alsdan zal grote verdrukking wezen hoedanig niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe en ook niet zijn zal » Mt. 24:21. Nu van tweeën één: deze verdrukking is er geweest, maar dan moeten we Dan. 12 en Mt. 24 uit onze Bijbels schrappen of ze komt nog. Nu achten we het beter Gods Woord ongebroken te laten staan dan het terwille van welke leer of stelsel ook krachteloos te maken, ja te verminken. Ook in dezen. Dat daarmee dan ook op dit punt de Brits-Israël leer valt, is onmiskenbaar. We hopen echter — al zijn we daarmee reeds telkens bezig geweest — haar aanhangers een uitnemender weg aan te wijzen die tot juister uiteenzetting der Schrift leidt en het geheel ongerept laat staan.
6. Nog enkele teksten. (Top)
Hos. 1:9. Hier staat dat Hosea's tweede zoon Lo-Ammi moest heten: Niet-mijn-volk. De Brits-Israël leer wil nu met die naamsverandering bewijzen dat de 10 stammen niet meer de oude stamnamen dragen! Dit is ongerijmd. Moet men zo een leer verdedigen?
Jes. 24:15. De eilanden der zee. Dit zijn volgens de leer de Britse eilanden. De voorstanders er van gaan op de St. Vert. af. Deze is onjuist. De Nwe Vert. heeft: kustlanden, wat heel wat anders is.
Jer. 8:12. Jeremia moest zijn woorden uitroepen tegen het Noorden en zeggen: « Bekeer u gij afgekeerde Israël ». Dit Noorden is voor de Brits-Israël Engeland en N.W.-Europa! Waarom niet de streek waarheen het Noorderrijk verbannen was en die ten noorden van Palestina lag?
Jes. 54:3. Het uitbreken ter rechter- en ter linkerhand en het erven van de Heidenen geldt geheel Israël. Dat wordt vergeleken met een onvruchtbare vrouw. Vs. 1. Deze is bovendien verlaten. Vs. 6.
Israël is onder het Oude Verbond onvruchtbaar geweest. Het was een afgezonderd volk. Het ging niet uit tot de Heidenen, de Volken. Het was daar, zolang het onder de Wet was en zijn Messias nog niet was verschenen, ook niet in staat. Door zijn zonde werd het een verlaten vrouw. Dat is het nu nog. De tijd komt dat het weder getrouwd zal worden. Dan zal het vruchtbaar zijn, dat is, het zal uitgaan ter wereldevangelisatie en de Volken tot God leiden. De hele wereld zal zijn zendingsveld zijn en dit werk zal overvloedige vrucht dragen. Dit geschiedt onder het Nieuwe Verbond. Meent men dat de zendingsarbeid van Engeland het uitbreken in menigte is? Dan zij er opgemerkt dat er jaarlijks meer heidenen geboren worden dan tot christenen gevormd. Ook Jes. 54 is toekomstig.
Wij menen met al het voorgaande genoegzame aandacht besteed te hebben aan hetgeen de Br. Israëlleer aan Bijbelse argumentatie meent te moeten aanvoeren tot staving harer visie. We gaan niet in op al wat zij verder aanvoert op ander terrein als taalkundig, ethnologisch, heraldisch en eventueel ander gebied. Alleen de Schrift beslist. Niets daarbuiten: Geen apocriefe boeken, geen traditie, geen wetenschap. De beslissing moet vallen op het terrein der Schrift en door de Schrift. Is de Br. Israëlleer uit de Schriften en naar de Schriften, dan valt al het andere verder toe. Is ze niet naar Gods Woord, dan zijn alle verdere z.g. bewijzen de moeite van het onderzoek niet waard. Men heeft derhalve met de Schrift te weerleggen dat we het verkeerd hebben of zich door de Schrift te laten gezeggen en verbeteren. We geven in de volgende hoofdstukken een o.i. uitnemender weg aan die noch tot het vergeestelijken der profetie van de Kerk, noch tot het verstaatlijken van haar door de Br. Israëlleer leidt, maar aan de letterlijke vervulling vasthoudt, niet nu doch na dezen. Deze oplossing doet de Schrift noch de logica ergens geweld aan maar komt tot een harmonisch geheel t.o.v. de eerste en tot een bevredigende weergave t.o.v. de laatste.
Volgens de Brits-Israël leerzijn de 10 verloren stammen terug te vinden in de Scythen. Wat weten we historisch van dit volk?
De Scythen worden het eerst vermeld onder de regering van Esarhaddon. Deze regeerde van 680-669 v. Chr. (volgens anderen van 681-668 wat niet veel uitmaakt). De Scythen, een nomadisch volk, begonnen in het noorden zijn koninkrijk te bedreigen. Nu waren de laatste Israëlieten weggevoerd in 722. Het is zeker niet gemakkelijk in te zien, dat in een korte tijd van ± 40 jaar een betrekkelijk klein aantal Israëlieten veranderd zou zijn in een oorlogszuchtig volk dat in staat en begerig was het toenmaals machtige Assyrië dat hen vroeger de baas was geweest aan te vallen.
Omstreeks 670 werd Medië van deze Scythen bevrijd. Later deden ze invallen in Assyrië en kwamen tot aan Syrië toe. Er wordt zelfs gezegd dat zij omstreeks 630 Palestina verwoestten. Indien dit zo is, dan is het vreemd dat zij, indien zij Israëlieten geweest zijn, geen poging gedaan hebben er in te blijven wonen. En indien zij slechts tot bij in Syrië of aan de grenzen van Palestina zijn gekomen, is het vreemd dat zij niet verder zijn getrokken. Ongeveer 514 v. Chr. trok Darius de Pers de Bosporus en de Beneden-Donau over en viel het land der Scythen binnen. Ook in Europa woonden er dus. Van Alexander de Grote wordt vermeld, dat hij hen in 329 in Perzië vond, toen hij dat land onder de voet liep.
Volgens de Bijbelse Encyclopaedie heten de Scythen bij de Assyrische koningen Asjkoeza of Isjkoeza en woonden ze in de buurt van het Oermia Meer ten westen van de Meden en ten oosten van de Kimmeriërs. De naam Asjkoeza werd door de Grieken als Skuthoi uitgesproken en zo komen wij aan het woord Scythen. In Zuid-Rusland vindt men de koerganen dit zijn grafheuvels, die aan hen herinneren. Daar heeft het volk der Scythen of Saka geheerst tot later de Sarmaten en de Gothen een eind aan hun macht maakten.
Steunt de Schrift nu in deze de Br. Israëlleer in eniger wijze. Juist het tegendeel. Haar uitspraak in Col. 3:11 weerlegt deze leer. Ze vermeldt de Scythen op zulk een wijze dat het onmogelijk is ze met Israël te vereenzelvigen. Col. 3:10 en 11 luiden: « en aangedaan hebt de nieuwe mens ... waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, Barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles in allen. »
Indien we onder de « Jood » geheel Israël rekenen, behoort de Scyth die daarna genoemd wordt, niet tot Israël. Indien we onder de Jood alleen Juda en Benjamin rekenen, vallen de z.g. verheidenste 10 stammen onder de voorhuid en heeft het geen zin ze nog eens onder de Scythen te rekenen. Het vermelden van de tien stammen achter de barbaren zonder de minste uitlegging, is onaannemelijk.
Deze tekst is een van de belangrijkste in deze hele discussie. Hoe we hem voorts ook opvatten, er is geen plaats voor Israël noch voor de Scyth, want Christus is alles in allen. Hij heft voor de tegenwoordige tijd alle verschil op en daarmee vervalt ook het z.g. Brits — en ander — Israël dat in het Nieuwe Verbond heet te staan.
Dat er wat Israëlieten naar de streken van de Zwarte en Kaspische Zee zijn getrokken en voorts in de landen van Europa die ze doortrokken sporen hebben achter gelaten, zal niemand betwisten als we weten dat Gods Woord over hen voorzegt dat zij zouden gezaaid worden onder alle volken. Om ze echter met de Scythen in die streken te vereenzelvigen sluit Col. 3:11 uit. De Scythen staan voor Paulus naast Jood en Griek, naast besnijdenis en voorhuid.
Tot slot geven we een omschrijving van Col. 3:11 In de Nieuwe Mens is er geen Griek — de geleerde en kunstzinnige mens —, geen Jood — vertegenwoordiger van Gods volk op aarde —, geen besnedene — bezitter van de uitwendige voorrechten van Gods volk —, geen man der voorhuid — de vervreemde van de voorrechten —, geen Barbaar — de mens zonder beschaving —, geen Scyth — de grootste barbaar onder de onbeschaafden —, geen slaaf — de onderworpene aan de wil van een meester —, geen vrije — de man die naar eigen inzicht en wil kan handelen —, maar Christus is alles in allen, d.i. woont ten volle door het geloof in aller hart.
8. Het altaar in Egypte. (Top)
De Brits-Israël leerloopt gaarne in pas met de leer van « De Stenen spreken », dat is de leer over de pyramide van Cheops waarmee men allerlei toekomstige gebeurtenissen meent te kunnen voorspellen. Men baseert deze door aan te nemen dat die pyramide het altaar is dat de Here in het midden van Egypte heeft en dat in Jes. 19 genoemd wordt. We lezen daar in vs 19: « Te dien dage zal de Here een altaar hebben in het midden van Egypteland en een opgericht teken aan deszelfs landpalen voor de Here. » Men plaatst dit in het heden. Men vergeet evenweel dat deze pyramide al een vierduizend jaar oud is of heet te zijn en zeker er al stond voor Jesaja zijn boek schreef. Indien deze pyramide dat opgerichte teken is, kan er niet staan: Te dien dage maar had hij moeten schrijven: Te dezen dage heeft de Here een altaar en een opgericht teken. Het « te dien dage » in de Schrift wijst altijd naar de toekomst, hetzij nabije, hetzij verdere. We nemen Jesaja en Daniël om dit te bewijzen. Zie Jes. 7:21, 23;17:4, 7, 9;20:6; 22:8,12, 20, 25; 23:15 en Dan. 3:7,18; 7,9; 20:6; 22:8,12, 20, 25; 23:15 en Dan. 3:7, 18;4:1, 4:1,2; 5:30; 10:20; 11:10,11; 12:1,4; 24:21; 25:9; 27:2,12,13; 28: 5; 29:18. Welnu, dan kan deze pyramide niet al, zeg een duizend jaar voor Jesaja gebouwd zijn. Of Jesaja heeft zich vergist of de Br.-Israëlleer. Dit moet nu verder bezien worden.
De oplossing is eenvoudig en ligt in hetzelfde Jesaja 19. Daar vinden we nog meer « te dien dage's ». Aan vs 19 gaan er twee vooraf in vs 16 en 18 en volgen er drie in vs 21, 23 en 24. Men zie:
« Te dien dage zullen de Egyptenaren zijn als vrouwen en zij zullen beven en vrezen vanwege de beweging van de raad des Heren der heerscharen welke Hij tegen hen bewegen zal » Vs 16.
« Te dien dage zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende de spraak Kanaans en zwerende de Here der heerscharen; één zal genoemd zijn een stad der verstoring ». Vs 18.
De spraak Kanaans. Het woord « spraak » betekent in het Hebr. niet: « taal » maar « lip » en is overdrachtelijk: hetgeen van de lippen komt, de uitdrukking der gedachten en gevoelens. « Te dien dage » zullen er in Egypte vijf steden zijn die dezelfde gevoelens jegens God zullen uitdrukken als Israël na zijn herstel in Kanaan. Egypte zal zich immers tot de Here bekeren, vs 23 en zo de spraak Kanaans spreken. Zijn naam in hun taal met Zijn naam aanroepen. Zie Zef. 3:9.
Die 5 steden zijn mogelijk Heliopolis, Leontopolis, Daphne, Migdol en Memphis.
De stad der verstoring. Oorspronkelijk zal er ongetwijfeld gestaan hebben: Stad der gerechtigheid. Door de verandering van één letter, de h in ch (cheres d.i. zon in heres d.i. verstoring of verwoesting) is dit woord in de latere Hebr. tekst gekomen. Bedoeld zal zijn Heliopolis d.i. stad der zon zoals staat in oude handschriften. De Joden konden niet hebben dat zo'n Egyptische stad gelijk gesteld zou worden met Jeruzalem dat eerst gerechtigheid herbergde, Jes. 1:21 en veranderden, d.i. verbasterden zo het zuivere Woord, God niet gelovende. Een wonder dat ze ook vs 25 niet verminkt hebben met zijn « de Egyptenaren Mijn volk » Er kan in vs 18 niet verstoring gestaan hebben; dit woord past daar heel niet.
Nu krijgen we de « te dien dage's » na vs 19.
« En de Here zal de Egyptenaars bekend worden en de Egyptenaars zullen de Here kennen te dien dage, want zij zullen tot de Here roepen vanwege de verdrukkers en Hij zal hun een Heiland en Meester zenden, die zal ze verlossen » Vs 20.
« En de Here zal de Egyptenaars bekend worden en de Egyptenaars zullen de Here kennen te dien dage en zij zullen Hem dienen met slachtoffer en spijsoffer en zij zullen de Here een gelofte beloven en betalen » Vs 21.
« Te dien dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte naar Assyrië, dat de Assyriërs in Egypte en de Egyptenaars in Assyrië zullen komen en de Egyptenaars zullen met de Assyriërs de Here dienen » Vs 23.
« Te dien dage zal Israël de derde wezen. Met de Egyptenaars en met de Assyriërs een zegen in het midden van het land » Vs 24.
(Voor « in het midden van het land » is beter te lezen: « in het midden der aarde »).
We menen dat het logisch is dat het « te dien dage » van vs 19 even ver reikt als de andere « te dien dage's » in dit hoofdstuk. Aangezien we de andere nog lang niet vervuld zien, geloven we ook niet dat de pyramide van Cheops dat altaar is dat de Here thans in Egypte zou hebben, nog afgezien van het feit dat een pyramide geen altaar is. Egypte is nog niet tot de Here bekeerd, het heeft nog geen Heiland gekregen, zijn volk is nog niet des Heren volk, er is nog geen gebaande Weg en het dient de Here nog niet. Waarom rukt men toch de pijlers van hun plaats? God zal Zijn Woord zo vervullen als het er staat.
Al deze « te dien dage's » zijn nog toekomst; de Brits-Israël leer bouwt ook hier verkorte bogen op verplaatste pijlers. Natuurlijk ontstaat er dan een brug. Maar niet een die bestand zal zijn voor het vuur dat eenmaal alles zal beproeven. De bogen zullen van hout blijken te zijn en men zal zijn werk zien verbranden. Zo zal men schade lijden.
9. De gruwel der verwoesting. (Top)
Ook over deze heeft de Brits-Israël leer of hebben voorstanders er van een verklaring gegeven. Deze gruwel is de Omar moskee die op het oude Tempelplein in Jeruzalem staat en in 634 na Christus werd opgericht. Deze staat er dus nu al meer dan 1300 jaar.
Vergeten wordt dat een gruwel een afgodsbeeld is. Voorts dat hij niet als bouwwerk op het Tempelplein zal staan maar « in de heilige plaats ». Mt. 24:15. Verder, dat hij er niet eeuwen te voren zal staan, maar eerst in de eindtijd als vs 7 vervuld is, als er oorlogen, hongersnoden, pest en aardbevingen geweest zullen zijn en verdrukking. Of om het met de Openbaring te zeggen: als de vijf zegelen er geweest zullen zijn; deze lopen parallel met Mt. 24:7 en zijn de in symbolische taal weergegeven feiten. Eerst dan komt de gruwel der verwoesting. Dat is voor ons het beeld dat de Valse Profeet, het tweede Beest van Openb. 13, zal doen maken voor de Mens der zonde, het eerste Beest, nadat dit van zijn dodelijke wonde weder levend zal zijn geworden. Op. 13:14, 15. Zodra dit beeld gesteld zal zijn, moeten zij die in Judea zijn vluchten.
De gruwel der verwoesting kán er nu niet zijn want hij wordt eerst gesteld in de 70ste jaarweek van Daniel 9. Deze is nog geheel toekomstig. 69 zijn er voorbij, de 70ste moet nog komen. Ze is onvervulde profetie.
10. De z.g. tien verloren stammen. (Top)
Voor de Brits-Israël leer zijn er tien stammen verloren in Assur en zijn ze na zekere tijd daaruit weggetrokken. We willen nagaan wat de Schrift van die tien verloren stammen zegt.
Toen Ahia de profeet Jerobeams mantel in 12 delen gescheurd had, zeide hij: « Alzo zegt de Here, de God Israëls: Zie, ik zal het koninkrijk van de hand Salomo's scheuren en u tien stammen geven, maar een stam zal hij hebben om mijns knechts Davids wil ». 1 Kon. 11:31, 32. We geloven dat deze getallen meer als stamgebieden dan letterlijk als stammen moeten beschouwd worden.
Dit blijkt uit het volgende: Simeon had zijn erfdeel binnen het gebied van Juda. « Der kinderen Simeons erfdeel is onder (te midden van) het snoer der kinderen van Juda, want het erfdeel van Juda was te groot voor hen, daarom erfden de kinderen Simeons in het midden huns erfdeels ». Joz. 19:9. Later, in de dagen van Hiskia, lezen we van de Simeonieten dat ze hun gebied uitbreidden omdat ze, daar ze uitgebroken waren in menigte en weide nodig hadden voor hun schapen, gebied te weinig hadden. Zie 1 Kron. 4:(24) 38 – 43. Na de wegvoering van de stammen van het Noorderrijk was Simeon er nog. Benjamin voegde zich bij Juda, want er staat: « Rehabeam... vergaderde... het ganse Huis van Juda en de stam Benjamins om tegen het Huis Israëls te strijden ». 1 Kon. 12:21. Zie ook vs 23. 2 Kron. 11:1. Dat waren er al drie. Tot hem kwamen ook de priesters en levieten die in het ganse land van Israël waren; zij « verlieten hun voorsteden en bezittingen en stelden zich bij hem ». 2 Kron. 11:13, 14. Zo waren er in die ene stam waarvan Ahia spreekt drie mede vertegenwoordigd. In wezen zijn er dus geen tien stammen weggevoerd, maar, zoals blijken zal, acht, wonend in negen stamdelen.
Tellen we de stamdelen op die Jerobeam kreeg, dan komen we tot tien: het waren de twee en een halve stam in het Oost-Jordaanland Ruben, Gad en half Manasse (3 delen) en: Efraim, Manasse, Issaschar, Zebulon, Naftali, Aser en Dan (7 delen). Daar tegenover wordt dan het ene gebied van Juda geplaatst, dat Simeon in zich opgenomen had en met Benjamin, ten noorden van zijn land, een vast geheel vormde. Uit een en ander blijkt dat er nimmer tien stammen zijn verloren gegaan in Assur want Simeon noch Juda noch Benjamin noch de Levieten zijn er heengevoerd. Simeon woonde zelfs na de Ballingschap nog in zijn gebied. Zij woonden er, volgens 1 Kron. 4:42 « tot op deze dag ». Dat is tot op het schrijven van het Boek der Kronieken. Dit eindigt met de proclamatie van de terugkeer door Kores. Dus bij de terugkeer waren er nog Simeonieten in het land. Het is dus niet vreemd dat we ook van hen lezen in Josia's dagen, d.i. een 80 jaar na de wegvoering naar Assur.
En nu die z.g. tien stammen in Assur. We lezen in 1 Kron. 5:26 van de twee en een halve stam in het Oost-Jordaanland. Deze zijn het eerst weggevoerd en wel door Pul en Tiglath-Pilnéser, zegt de St. Vert. Deze twee namen wijzen waarschijnlijk slechts een persoon aan. Ze werden gevoerd naar Halah, Habor, Hara en aan de rivier Golon, Pul voerde later Dan, Zebulon, Issaschar en Naftali weg. 2 Kon. 15:29. Hierop zinspeelt Jes. 9:1, 2. De drie eerstgenoemde stammen worden niet met name vermeld, maar het is op te maken uit de genoemde plaatsen en het vermelden van Galilea. Zebulon wordt in Jes. 8:23 genoemd. Zo waren zeven stamdelen weggevoerd. Nu restte nog alleen Efraim. Deze en de helft van Manasse dus anderhalve stam. Hierbij zij opgemerkt dat deze twee delen Israël genoemd worden. Zij volgden onder Salmanezer. 2 Kon. 17:6. Hierop zinspeelt wellicht Jes. 17:4. Wie dit nagaat, liefst met een kaartje voor ogen, zal zien dat er slechts 8 stammen door Assur zijn weggevoerd. Ze woonden er nog toen Nebukadnezars zoon Evilmerodach regeerde, want er staat in 2 Kon. 17:23: « tot op deze dag », dit is: tot op de tijd dat het Boek der Koningen geschreven werd in welks laatste hoofdstuk van Evilmerodach sprake is.
In andere paragrafen van dit werkje wezen we er reeds op dat er ook van Efraim en Manasse zijn teruggekeerd, 1 Kron. 9:3 en verder van geheel Israël. Ezra 6:22. Dit heet het overige van Israël. Neh. 11:20. Zie ook Ezra 2:70; Ezra 6:17; 8:35: Neh. 7:73; 8:14. En nu zouden niet meer dan in negen geslachten later (van Zerubbabel tot Jozef, de echtgenoot van Maria, Mt. 1 :13-16), deze Israëlieten die zich afzonderden van de Heidense volken, (Ezra 10) hun identiteit verloren moeten hebben!
Nu nog iets over de verloren stammen in Assur. We zagen reeds dat het er geen 10 zijn geweest. We zullen thans nogmaals bewijzen dat zij niet uit Assur zijn weggetrokken naar N.W.-Europa maar uit Assur zullen wederkomen.
« Want de Here zal uit zijn plaats uitgaan om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken ». Jes. 26:21. Dat is Christus' wederkomst.
« En het zal te dien dage geschieden, dat de Here dorsen zal van de stroom der rivier (de Eufraat) af tot aan de rivier van Egypte (de Nijl), doch gijlieden zult opgelezen worden, één bij één, o gij Kinderen Israëls ». Jes. 27:12.
11. De verloren identiteit. (Top)
Het heet dat Tienstammig Israël zijn identiteit verloren heeft. Ze weten niet meer dat ze Israëlieten zijn. Zij hebben hun besnijdenis prijsgegeven en leven nu als heidenvolken. Hebben de Judaieten Christus niet erkend, de Israëlieten weten van hun afkomst niet meer. Paulus schrijft dus o.a. niet aan Heidenen maar aan Joden die zich Heidenen wanen. Eenmaal zullen de Joden Christus herkennen en de tien stammen hun identiteit hervinden.
Dit alles is wel vreemd. Paulus die zich de prediker, apostel en leraar der Heidenen noemt (2 Tim. 1:11), schrijft aan — Israëlieten. Hij noemt ze wel Heidenen in het vlees, vervreemd van het burgerschap, Ef. 2:12, maar daarin heeft hij zich dan lelijk vergist. Hij noemt zijn maagschap naar het vlees wel Israëlieten, Rom. 9:4, maar zij weten er niets van. Jakobus schrijft wel aan de twaalf stammen in de Verstrooiing, maar heeft zeker vergeten dat zijn brief voor tien onbestelbaar was, want zij waren hun stambesef kwijt. God heeft Zijn volk wel niet verstoten, had in Paulus' dagen wel een overblijfsel naar de verkiezing der genade, Rom. 11:1, 5, maar niettemin was Israël volgens een der voorstanders der Brits-Israël leer « volkomen verheidenst ». Hij baseert dit op Hos. 1:9 en Ez. 20:32. In de eerste tekst noemt God ze Lo-Ammi, Niet-mijn-volk, in de tweede gaat het over wat in Israëls hart is opgeklommen: « Wij zullen als de Heidenen, en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen ». Hij vergeet dat hetzelfde vers zegt: « Daarom, wat in uw geest opgeklommen is, zal geenszins geschieden ». Voor hem is het toch geschied. De Here zegt: Neen, de leer-voorstanders: Ja. Men gevoelt: Hier houdt alle Schriftgezag op. Zeker, men leert dit uit goede bedoeling: Israël, dat zich Heidenen gelooft, zou het evangelie van het Koninkrijk niet aangenomen hebben als het zich Israël had geweten, maar omdat zij meenden dat zij Heidenvolken waren, namen zij het aan. En het is tot Israël dat Paulus spreekt in Rom. 9. Niet tot de « Joden »; die vallen weg en in 11:25 wordt met de « Heidenen », (de volheid der Heidenen) Israël aangeduid. D.w.z. Israël eerst, daarna andere Volken. Als Paulus eenvoudig « Israël » geschreven had, « zou Paulus de Romeinen en alle Heidenen hebben kunnen ontmoedigen door Israël zoals het was en in het algemeen nog is: onbewust van zijn identiteit, niet aan te moedigen ».
Dat het verheidenste Israël in de term « Heidenen » is ingesloten, volgt uit Rom. 9:24: geroepen uit de Joden maar ook uit de Heidenen: o.m. Tienstammig Israël. Men baseert dit op het citaat van Hos. 2:22 in vs 25 en op dat van Jes. 10:22 en 23 in vs 27. Zo maakt men een scherpe scheiding tussen Jood en Israël vanzelf omdat men aangenomen heeft dat Joden Judaieten zijn. We zagen reeds dat dit onjuist is.
Over de theorie dat Tienstammig Israël verheidenst is en daarom Paulus hen bij de andere Heidenen in kan sluiten merken we dit op:
1. Het woord van Hos. 2:22 door Paulus in Rom. 9:25 geciteerd, slaat 1e op de Joden van vs 24; Paulus wil hiermee aantonen dat God ook hen aannam; 2e op de Heidenen die hij er bij betrekt omdat zij eerst in het geheel niet Gods volk waren. Dit is een uitbreiding van 's Profeten woord, maar niet de volle vervulling; die blijft voor Israël. In Jes. 49:6 hebben we iets soortgelijks. Dit slaat op Christus allereerst en allermeest, maar Paulus past het ook op zichzelf toe. Zie Hand. 13:47.
Waar het woord van Rom. 9:25 ook op de Joden slaat van vs 24, bewijst dit vers tevens dat ook de Israëlieten van het Noorderrijk tot wie Hosea profeteerde Joden heten. Hiermee valt de Brits-Israël theorie andermaal.
2. De Steen des aanstoots en de Rots der ergernis is volgens Jes. 8:14 voor de twee Huizen Israëls. Derhalve was geheel Israël in Palestina vertegenwoordigd ten tijde van Christus, want de Steen werd in Sion gelegd. De stammen wisten derhalve toen nog hun identiteit (een Anna b.v. wist dat zij uit Aser was en Christus' discipelen waren uit het Galilea der Heidenen waar Naftali en Zebulon woonden). Derhalve vervalt de hele redenering dat Tienstammig Israël zijn identiteit verloren had en verheidenst was.
3. De « verheidenste Israëlieten » vallen of onder de « Jood » of onder de « Griek » van Rom. 1:16. Indien niet onder de « Jood » dan zijn aan hen ook geen O.T. woorden Gods toebetrouwd; die toch zijn aan de « Jood » gegeven. Dan vallen ze geheel buiten Gods volk.
4. Indien de tien stammen verheidenst waren, kon Jakobus tot hen geen Brief richten. Men was alleen maar Israëliet door de besnijdenis.
5. Petrus richt zich tot de verstrooiden en noemt hen een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2:9. Dit laatste is citaat van Ex. 19:6 en betreft geheel Israël. Petrus schrijft derhalve ook aan de 12 stammen.
6. Johannes schrijft de Openbaring aan de zeven gemeenten in Azië. Indien dit alleen « Joden » waren, waarom dan gesproken over de 144.000 verzegelden uit alle geslachten der Kinderen Israëls. (7:4 ).
7. Petrus zegt, dat zijn hoorders kinderen zijn der profeten en van het verbond dat God met de vaderen had opgericht. Hand. 3:25. Indien het geen Israëlieten waren tot wie hij sprak, had hij daarop niet kunnen wijzen. Waar hij ze reeds vroeger « Israëlitische mannen » genoemd heeft, 2:22, en « ganse Huis Israël », 2:36 en Paulus de hoorders in Antiochië ook zo noemt, 13:16, daaruit blijkt le dat Israël zowel in als buiten Palestina vertegenwoordigd was en ten 2e dat de identiteit bij die stammen niet verloren was.
8. De Brief aan de Hebreën, met zijn 35 aanhalingen uit het O.T. was niet aan de z.g. « Joden », de Judaieten, gericht, maar tot gans Israël. De grote Hogepriester is voor dat ganse Israël, het eerste verbond (9:1) mede. Zo ook de wolk der getuigen. (12:1). Niet de « Joden » kwamen tot de Middelaar van het Nieuwe Verbond, maar Hij is dit voor het Huis Israël en het Huis Juda (8:8-10).
We menen niet verder behoeven te noemen. De Heiden, de Griek, is de samenvatting van alle volken buiten Israëls burgerschap, zonder God en zonder hoop in de Wereld. Indien deze uitspraak ook voor verheidenste Israëlieten geldt, is ze niet waar. Maar God heeft de verheidensing, die de « Jood » wel wilde, een Goddelijk veto toegeroepen. « Wat in uw geest is opgeklommen, zal geenszins geschieden » Ez. 20:32. Noch in Ezechiëls dagen, noch in N.T. dagen. Noch in onze dagen.
De Brits-Israël leer wil in de Heidenen van Rom. 11 de verheidenste 10 stammen zien. De Jood (Joden) in Rom. 1:16; 2:9; 10, 17, 28, 29; 3:1, 10:12 en 3:9, 29; zijn dan de Judaieten; aan hen schrijft Paulus niet. Maar wel aan de Heidenen: lees verheidenste 10 stammen die daar zij hun volksbesef verloren hebben juist geschikt zijn het evangelie aan te nemen. Wel zegt Rom. 11:1 dat God Zijn volk, dus Israël in zijn totaal, niet verstoten had en dat er, evenals in Elia's tijd toen er zeven duizend in Israël waren (1 Kon. 19:18), ook in Paulus' dagen een overblijfsel was, vanzelf uit dat gehele volk Israël dat niet verstoten was, maar de Brits-Israël leer kan zich hierin niet vinden. Wel zegt Rom. 11:7 dat hetgeen Israël zoekt, het als volk niet verkregen heeft, dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, vs 25 en gebruikt vs 26 de dubbelterm Israël – Jakob die eveneens het gehele volk aanduidt, maar dit alles is voor de voorstanders der leer geen aanwijzing genoeg deze te wijzigen. Daarom willen we van Rom. 11 een uiteenzetting geven.
Christus kwam tot het Zijne, Israël, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Noch de aanbieding van het Koninkrijk der hemelen door Johannes noch die door Christus werd aanvaard. De Koning werd gekruisigd. Hij bidt echter: « Vader, vergeef het hun... » Deze bede werd verhoord en met Pinksteren en daarna werd het Koninkrijk en Zijn Koning opnieuw aangeboden. Hand. 3:12, 17, 25, 19-21. Echter, Israëls leidslieden willen niet en trachten de prediking te verhinderen. Na Stefanus' dood slaat God een nieuwe weg in: Hij roept Saulus. Is reeds zijn bekering bijzonder, zijn opdracht is het niet minder; God zendt hem tot de Heidenen. Met welk doel? Met dat wat in Deut. 31:21 is aangegeven: God zal Israël (gans Israël) tot jaloersheid verwekken door degene die geen volk zijn. Daarom roept Hij niet alleen de Heidenen maar geeft hun evengelijke gaven en schenkt hun gelijke beloften. Dit geeft Paulus vorm door het beeld van de tamme Olijfboom waarop wilde takken worden ingeplant.
Deze inplanting is « tegen nature ». Dit is: als regel doet de kweker anders. Hij zet tamme takken op een wilde stam. In Paulus' beeld worden wilde takken op een tamme stam geent. Dit gebeurde meer in het Oosten en men zegt dat dit nog wel plaats heeft. Waarom? Om tamme vruchten van de wilde takken te verkrijgen? Neen, maar om de trage boom te activeren, tot meer en betere vruchtzetting aan te drijven. Het gaat dus niet allereerst om vruchten van de wilde loten maar om de boom zelf vrucht te toen dragen.
Er geschiedde nog meer: de natuurlijke takken werden weggenomen en de wilde te midden van de nog overgeblevene gezet. (Men leze in vs 17 niet: in hun plaats — het staat cursief d.w.z. de grondtekst heeft het niet — maar onder, te midden van hen, in hun midden). Zo werden ze de sappen van wortel en oude stam deelachtig en dit moest omgekeerd de groei en vruchtzetting van de oude stam bevorderen.
Dit is het beeld van de Handelingentijd. Toen konden ook Heidenen gezegend worden met de gelovige Abraham (Gal. 3). Toen werkte het Nieuwe Verbond nog.
Waarom gebruikt Paulus het beeld van de Olijfboom? Hierom. In de tabernakel en de tempel werd alle natuurlijke licht door zware gordijnen buiten gesloten. De verlichting geschiedde alleen door de kandelaar, waarin zuivere olijfolie brandde. De olijfboom nu symboliseert de openbaring, de verlichting Gods aan Israël gegeven. Wat deed Israël nu in de Handelingentijd (ongeveer 33 jaar, van, 29-62)? Het verwierp niet alleen het evangelie voor zichzelf maar weigerde het ook aan de Volken te verkondigen. (In zijn plaats stelde God Paulus). Naarmate zij zich verhardden, werden zij afgebroken. De takken symboliseren geen personen maar groepen uit Israël. Takken die werden weggenomen zijn b.v. Joodse groepen van Antiochië (Hand. 13:14-52), Iconium, (14:1-6), Thessalonica (17:1-10), Berea (17:13), Corinthe (18:5, 6), Efese (19:8, 9) en eindelijk die van Rome (28:23-27). Takken die werden ingeënt waren groepen Heidenen te Antiochië (13:42), Iconium (14:1), Lystra (14:20), Filippi (16:14, 15 40), Thessalonica (17:4), Berea (17:12), Corinthe (18:8-10), Efese (19:1-7, 18-20), Rome (28:24). Zo werden naast groepen uit Israël groepen uit de Heidenen lichtdragers.
Thans is Israël in het geheel geen lichtdrager meer. In Hand. 28:28 zegt Paulus dat de Behoudenis Gods tot de Heidenen gezonden werd. Hiermee ging een nieuwe bedeling in. Verschillende andere volken hebben het licht door God in de Schriften gegeven, zij het zonder volle glans, verder gedragen. Zo Duitsland in de tijd der Hervorming, Nederland mede, Engeland, Nederland en Schotland door hun Bijbelgenootschappen, meerdere Europese volken door zending en missie. Dit bewijst dat Israël is uitgeschakeld en tevens dat zij Israël niet zijn.
Is deze uitschakeling voorzegd? Ja, Jer. 11:16 zegt dat God de olijfboom zou wegdoen door een vuur om hem te ontsteken en zijn takken te verbreken. Dit geschiedde in beginsel in Hand. 28:28 en in verdere uitwerking bij de val van Jeruzalem en de daarop volgende opnieuwe verstrooiing van Israël in Kanaan in het jaar 70 na Chr.
Hiermee houdt ook de inplanting tussen Israëls takken op. De kern is weg. Er zijn geen wilde takken meer die op de tamme Olijfboom, Israëls als geestelijk lichtdrager, worden ingeplant. Israël is totaal afgesneden. De deur die Petrus in Hand. 2 opnieuw opende, is door Paulus gesloten. In Hand. 28:28. Het oordeel der verharding dat Israël reeds verdiende in Mt. 13, maar dat uitgesteld is, kwam toen over dat volk. Daarom kan Br. — noch ander — Israël nu lichtdrager zijn, noch in het Nieuwe Verbond staan. Noch ook heeft er thans inenting op de Olijfboom plaats. God heeft het kanaal der zegening door Israël afgesloten en zich vanaf die tijd gekeerd tot de mens in het algemeen, afgezien van zijn nationaliteit. Christus is thans Middelaar Gods en der mensen (1 Tim. 2:5), maar geen Middelaar van het Nieuwe Verbond. Voor dit laatste moet Hij zitten op Zijn troon (Zach. 6:13), dat is op de troon Zijner heerlijkheid (Mt. 25:31), dit is tevens de Davidische troon, Lk. 1:33). Daarop neemt Hij echter niet plaats voor de toekomende eeuw, niet nu regeert Hij over het Huis Jakobs naar eerst in de (toekomende) eeuwen. (Grondtekst Luk. 1:33).
IV. Onderzoek naar Verdere Steun Punten van de Leer. (Top)1. Een volle menigte van volken.
Efraim zou een volle menigte van volken worden. Gen. 48:19. Volgens de Brits-Israël leer is Efraim het Britse Gemenebest. Daarin wordt nu Jakobs profetie vervuld: « In de laatste dagen ». Dat is tussen de eerste en tweede komst van Christus.
In deze bewering is iets onlogisch. Het Britse Gemenebest bestaat (men kan wel haast zeggen: bestond) uit vele volken. Zijn die alle uit Efraim, als Efraim dan het Britse Rijk zou zijn. Zijn de Fransen in Canada, de Indiërs in India en Pakistan, de Boeren in Zuid-Afrika ook uit Efraim. Niettemin vormen (of vormden) zij mede het Gemenebest. Men telt daarbij ook de Verenigde Staten. Maar — dat zijn weer geen Efraimieten maar Massanieten. Het ziet er dus wel vreemd uit met die Engelse Volkenfamilie. Er behoren volken toe die niet uit « Efraim » kunnen zijn. En daarbij niet in « de bestelde plaats », d.i. Engeland, wonen. Bovendien kunnen dan de Verenigde Staten niet « Manasse » zijn want zij zijn mede, naast Franse en Hollandse kolonisten, voortgekomen uit « Efraim ». Indien de leer gelijk hadde.
Ook dit punt is onschriftuurlijk. Jakob zegt tot Jozefs zonen: « En dat zij vermeningvuldigen als vissen in het midden des lands. Gen. 48:16. Men leze hier niet overheen. Manasse en Efraim zouden (zullen) zich vermenigvuldigen in talrijke mate maar — niet buiten het Land. Het Land is voor Jakob maar niet elk land maar het Land van vs 4, dat aan zijn nakomelingen tot een « eeuwige bezitting » zou gegeven worden, het land Kanaan, vs 3. Daarover gaat het in deze tekst. Welnu in dat Land — niet elders — zullen zij zich vermenigvuldigen. Deze tekst heeft dus niets met het Engelse volk te maken want de vermenigvuldiging heeft plaats in Kanaan. Ze is daarom nog toekomstig wijl de belofte nog nimmer vervuld is.
2. De bestelde plaats. (Top)
De Brits-Israël leer voert ook 2 Sam. 7:10 als bewijs aan: « En Ik heb voor mijn volk, voor Israël, een plaats besteld en hem geplant dat hij aan zijn plaats wone en niet meer heen en weder gedreven worde en de kinderen der verkeerdheid zulllen hem niet meer verdrukken gelijk als in het eerst ».
De Brits-Israël leer beperkt deze tekst tot de 10 stammen. We hebben reeds aangetoond dat dit niet kan. Juda moet er bij ingesloten zijn want er was toen nog geen scheiding. Deze belofte geldt gans Israël en de bestelde plaats kan dus slechts wezen « het gehele land Kanaan » van Nijl tot Eufraat (Gen. 15:18). Dat zal zijn tot een « eeuwige bezitting ». Gen. 17:8, d.i. tot een bezitting van de toekomende eeuw. Niet van deze eeuw. Alleen het land beloofd aan Abraham, Izaak en Jakob, is het snoer van hun erfdeel. Ps. 105:10, 11. Voorts, aannemende dat Groot-Brittannië « de bestelde plaats » is en dat de 10 stammen eenmaal naar Palestina zullen wederkeren, dan zijn de Britse eilanden toch maar een tijdelijk tehuis en geen blijvend.
Ook deze profetie is nog onvervuld. Kinderen der verkeerdheid zullen Israël nog verdrukken; de grote verdrukking is nog niet geweest. Alle stammen zijn tot op het einde der eeuw « verloren schapen » en eerst als Babels verwoesting komt, zullen de Kinderen Israëls (uit het Noorderrijk) en de Kinderen van Juda (uit het Zuiderrijk) heengaan om wenend de Here hun God te zoeken. Jer. 50:1-4. Eerst dan zullen zij de Here toegevoegd worden met een eeuwig verbond, vs 5. Men lette er op, dat hier beide Rijken genoemd worden. In die dagen zal Israël weder tot zijn woning keren, en noch hun noch Juda's zonden zullen meer gevonden worden, vs 18, 19. « De Kinderen Israëls en de Kinderen van Juda zijn te samen verdrukt geweest ». Zij werden door hun verdrukkers vastgebonden, vs 33, 34. Waar volgens de Brits-Israël leer geen Kinderen Israëls zijn teruggekeerd uit de Ballinggschap, kan dit zeker niet slaan op de terugkeer van weleer. Hoe men dit vers dan in lijn wil brengen met zijn theorie, is ons niet duidelijk. Juda en Israël zullen niet in weduwschap gelaten worden en beide moeten uit Babel vluchten. Jer. 51:5, 6, zij worden wel verdrukt, Jer. 50:33. Hoe kunnen ze dan in rust in Engeland en Noord-West Europa wonen?
3. Het Davidisch Verbond. (Top)
We komen nu tot het Davidisch Verbond van 2 Sam.7. Volgens de Brits-Israël leer wordt dit nu vervuld. Nu is het vreemd dat een Davidisch vorst alleen heerst over een Tienstammenrijk en niet ook over de andere twee. Het Davidisch Huis begon te regeren over Juda en heeft nooit geregeerd over Tienstammig Israël alleen. Het was òf over Juda, òf over Juda en Israël. Dit terloops. Van veel meer betekenis is wat de Here werkelijk tot David zegt in 2 Sam. 7. Het is dit:
« Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn ... zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan ... en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Die zal mijn naam een huis bouwen en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid ... Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen gelijk Ik die weggenomen heb van Saul, die Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen. Doch uw huis zal bestendig zijn en uw koninkrijk tot in eeuwigheid voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid », vs 12-16.
De Here belooft dus:
| 1. |
Salomo's koninkrijk te bevestigen. |
| 2. |
Hij zal de tempel bouwen. |
| 3. |
De stoel van zijn koninkrijk, d.i. de troon zal bevestigd worden « tot in eeuwigheid ». |
| 4. |
Davids Huis en koninkrijk zullen bestendig zijn « tot in eeuwigheid » voor zijn aangezicht. |
In vs 12 en 13 is sprake van twee dingen: bestendiging van Salomo's koninkrijk — in zijn dagen zou het rijk niet gescheurd worden (1 Kon. 11:34) en bevestiging van de troon van dat rijk. Het eerste is tijdelijk, gedurende Salomo's leven, het tweede is « tot in eeuwigheid ».
Deze term ontmoeten we in 2 Sam. 7 zes maal, vs 13, 16, 16, 24, 25 en 26. Hij slaat steeds op dezelfde tijd. Wil dit zeggen: Vanaf Davids tijd gaat dit door? Is er nu een Davidische troon en wordt die bezet door het Engelse vorstenhuis? Er staat immers « tot in eeuwigheid ».
Indien men dit meent, leest men niet wat er bij staat. Huis en koninkrijk zullen bestendig zijn voor uw aangezicht. Nu betekent. deze Hebr. uitdrukking steeds: in tegenwoordigheid van de betrokkene, terwijl hij er bij is. Hagar vluchtte van Sarai's aangezicht. D.i. uit haar tegenwoordigheid, haar nabijheid. Gen. 16:6. Abram stond voor het aangezicht des Heren, in Zijn tegenwoordigheid. 18:22. Later stond hij voor het aangezicht zijner overleden vrouw. 23:3. Jozef stond voor het aangezicht van Farao, 41:46, de broeders voor Jozefs aangezicht, 43:15, Jakob voor Farao's aangezicht, 47:7. En zo zouden we door kunnen gaan. We achten dit niet nodig; uit deze teksten reeds blijkt voldoende dat deze uitdrukking steeds betekent: in tegenwoordigheid, of aanwezigheid van. Reeds 2 Sam. 7:15 zou hiertoe voldoende zijn geweest: « Saul, die Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen ». Saul stierf tijdens Davids leven, toen David er dus nog was. Welnu, indien dan « voor uw aangezicht » van vs 15 betekent: in uw dagen, tijdens uw leven, terwijl ge het in uw levensdagen hebt vernomen, dan betekenen de woorden van vs 6: voor uw aangezicht: ge zult het zien, ge zult er bij zijn.
Waar is David thans om te aanschouwen dat zijn Huis zogenaamd regeert over Engeland? Hij is er niet. Dit woord wordt dus in onze dagen niet vervuld. God zegt « voor uw aangezicht ». Maar David ziet daar thans niets van, eenvoudig omdat hij « beide gestorven en begraven is en zijn graf tot op deze dag nog in Jeruzalem is ». Hand. 2:39. Hij is nog dood. Zal dit woord des Heren dus vervuld kunnen worden, dan moet David eerst opstaan. Zolang dit niet geschied is, blijft het onvervuld.
De Here heeft niet bedoeld te zeggen dat vanaf Davids dagen tot aan Chrisuts' wederkomst een vorst op (die uit zijn geslacht heet te zijn) ergens op een troon (die men Davidisch noemt) zal zitten. Er staat dat het zal zijn « tot in eeuwigheid ». Dit is beter te vertalen door: de duur der eeuw. Die eeuw is dan de eeuw waarin de beloften der vaderen t.o.v. land en volk vervuld zullen worden en dat is de toekomende, het is de eeuw aan welker begin de O.T. vromen zullen opstaan en « eeuwig » beter: « aionisch » leven zullen hebben. Dan zal het zesvoudig « tot in eeuwigheid », versterkt door het tweevoudig « in eeuwigheid », d.i. « de aioon uit » van 7:29 verwezenlijkt worden. Dan zullen Davids eigen ogen zien dat zijn troon — en wel die over gans Israël — bevestigd wordt, vs 13. In die eeuw zal 's Heren naam groot gemaakt worden en zal men zeggen: De Here der heerscharen is God over Israël, vs 26. Dan zal ook Ps 89 vervuld worden: « Ik zal hem (David) mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden. ... Zo Ik aan David lieg! » vs 29 en 36.
En het verblijf in « de bestelde plaats » èn de bevestiging van de Davidische troon èn de bestendiging van het koninkrijk zijn nog toekomstig. Die « eeuwigheid » — dit is slechts St. Vert., het Hebr. heeft olam, d.i. aioon of « eeuw » — is er nog niet. Ze is er als David is opgestaan. Dan zal er nog meer aan hem vervuld worden dan de Here hem in 2 Sam. 7 belooft. Daar is het: Huis en Koninkrijk en Troon bestendig. Maar Ps 89:21-30 gaat verder. Men leze dit en merke op vs 30: Zijn Zaad — Christus — zal in eeuwigheid zitten en Diens troon zal zijn als de dagen der hemelen.
De Here heeft aangaande David naast Ps 89, nog meer beloofd. « Mijn knecht David zal vorst zijn in het midden van hen », Ez. 34:24, dat is: in het midden van het Huis Israëls, vs 30. Dit Huis Israël, verstrooid onder de Heidenen, (en niet levend als Heidenvolken die hun identiteit verloren hebben) zal uit de Heidenen gehaald worden en in zijn land gebracht, Ez. 36:29. Daar zullen zij tot één volk gemaakt worden en één koning hebben, 37:22. Dit zal Gods knecht David zijn, vs 25. Dat zal zijn nadat zij vele dagen zonder koning geweest zijn en zich bekeerd hebben. Dan komen de Kinderen Israëls — alle geslachten — en zoeken David hun koning. Hos. 3:4, 5. Te beweren en te leren dat over de tien stammen nu een Davidisch vorst regeert — het moet dan een vorst zijn en geen vorstin want nimmer heeft er een Davidisch vorstin geregeerd — waar God zegt dat zij tot aan hun bekering zonder koning zullen zijn en dat zij dan niet 'n koning maar hun koning zullen zoeken — heeft Brits-Israël dit ooit gedaan? — is Gods Woord krachteloos maken. David heeft het beter verstaan want hij bidt om de vervulling van de belofte: « Doe dit woord ... over uw knecht en over zijn huis ... bestaan tot in eeuwigheid ». 2 Sam. 7:25.
4. Het tedere takje dat een ceder wordt. (Top)
Volgens de Brits-Israël leer is de dochter van Koning Zedekia met de profeet Jeremia uit Egypte naar Ierland getrokken. Vanuit Ierland is haar koningshuis in Schotland gekomen en daarna op de Engelse troon. Men grondt dit puur op traditie maar heeft er een Schriftbasis voor zien te vinden en die ontdekt in Ez. 17:22 en 23: « Ik zal ook van de opperste tak des hogen ceders nemen dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tedere afplukken, dewelke Ik op een hoge en verheven berg zal planten, op de berg der hoogte Israëls zal Ik hem planten en hij zal tot een heerlijke ceder worden...... »
Beginnen we met de tocht naar Ierland.
Toen de voor Nebukadnezars wraak bevreesde oversten met het volk tot Jeremia kwamen om te vragen welke weg zij moesten gaan, was 's Heren antwoord: « Indien gijlieden in dit land zult blijven wonen, zo zal Ik u bouwen en niet afbreken en u planten en niet uittrekken ...... » Jer. 42:10. Jeremia moet hen dringend waarschuwen niet naar Egypte te gaan. Indien zij het toch doen, « zo zullen al die mannen...... sterven door het zwaard, door de honger en door de pestilentie en zij zullen niemand hebben die overblijve of ontkome van het kwaad dat Ik over hen zal brengen ». 42:17. Zonder zich aan deze waarschuwing te storen, gingen zij toch naar Egypte. Jeremia werd, mogelijk door dwang, meegenomen. Daar kwam Gods woord tot hem en moest hij tot de oversten, die beloofd hadden te doen wat de Here hem zou openbaren maar dit niet hadden gedaan, dit spreken: « Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen...... en zij zullen allen in Egypte verteerd worden, door het zwaard zullen zij vallen, door de honger zullen zij verteerd worden, van de kleinste tot de grootste toe...... zodat het overblijfsel van Juda die in Egypte zijn gekomen...... geen zal hebben die ontkome of overblijve, te weten om weder te keren in het land van Juda...... maar zij zullen er niet wederkeren, behalve die ontkomen zullen ». 4: 11-14.
Indien Zedekia's dochter er ook bij geweest is, had Jeremia ook tot haar een boodschap, want al waren zij al bij het volk inbegrepen, de vrouwen werden opvallenderwijze ook nog apart genoemd. Voorts zeide Jeremia tot al het volk en tot al de vrouwen: Gij gans Juda die in Egypte woont, zie Ik zweer bij Mijn grote naam: Zie Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede en alle mannen die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden totdat zij ten einde zijn. Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland wederkeren in het land van Juda, weinig in getal en het ganse overblijfsel van Juda die in Egypteland gekomen zijn...... zullen weten wiens woord bestaan zal, het Mijne of het hunne. Jer. 44:24, 27, 28. Zie ook 45:28.
Geen hunner zou dus in Egypte blijven en slechts enkelen zouden ontkomen. Maar niet om naar Ierland te gaan, maar — naar het land van Juda. En de Here voegt er bij dat zij zullen weten wiens woord bestaan zal, dat van Hem of dat van hen. Dit is tevens een uitdaging voor de Brits-Israël leer. Enkelen zullen ontkomen om weder te keren. Niet om verder te trekken. Aan de lezer zij overgelaten, wiens woord zij zullen geloven, dat der Brits-Israël leer die van traditiewege of anderszins zegt: er zijn er naar Ierland getrokken of dat der Schrift die zegt: zij zijn in Egypte gevallen en slechts weinigen keerden terug en wel naar Juda.
Nu komen we tot het tedere takje. Dit is dan volgens de Brits-Israël leer Zedekia's dochter (haar naam is Tamar Tehpi) want het woord voor « takje » gebruikt, jonèqèth, is vrouwelijk, dus duidt het een vrouw aan. De hoge ceder is voor die leer Zedekia. Het planten op een hoge en verheven berg is dan, figuurlijk opgevat, het plaatsen op de Engelse troon en het regeren over het grote Gemenebest.
Nu het woord jonèqèth. Dit is inderdaad vrouwelijk. De mannelijke vorm is jonèk en vinden we alleen in Jes. 53 :2 (Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten). De vrouwelijke vorm staat in Job 8: 16 (scheuten); 14:7 en 15:30 (scheut); Ps. 80:12 (scheuten), Ez. 17:22 (takjes) en Hos. 14:7 (scheuten).
De opperste tak is voor de Br.-Isr, leer Zedekia, een der jonge takjes is zijn jongste dochter. Zelfs als we aannemen dat dat zo is, wat vordert deze leer dan met dit woord? Er staat immers niet dat dit takje geplant wordt in Engeland of buiten Israël, maar: « op de berg der hoogte Israëls », vs. 23. D.i. op de hoge berg Israëls. Nu ligt de « berg Israëls » niet in Engeland maar in Israël. Zie Joz. 1:16, 21. Ezechiël heeft het vaak over de bergen Israëls (6:2, 3; 19:9; 20:40; 33:28; 34:2, 13, 14, 14; 35:12; 36:1, 4, 8; 37:22; 38:8; 39:2, 4, 17); dat ze niet in Engeland liggen, blijkt duidelijk uit 33:28 en vooral 37:22; op de bergen Israëls wordt Israël tot een enig volk gemaakt; doch ook uit de andere teksten blijkt dit voldoende. Men vordert dus niets met de jonègèth; deze toch wordt geplant op de hoge berg Israëls. En niet in Engeland.
Hoe zullen we Ez. 17:22 en 23 dan uitleggen? Zo. Het koninklijk zaad, vs. 13, rebelleerde, vs. 15; dat is Zedekia. Het zou daarvoor boeten, vs. 20. Wat zal de Here dan doen? Hij zal van de opperste tak (een groepering van takjes) — dat is uit het Davidische huis een nemen. Een der jonge takjes. Nu is dit wel een vrouwelijk woord, maar er wordt geen vrouw mee aangeduid. Dit blijkt uit vs. 23: « op de berg der hoogte Israëls zal Ik hem planten en hij zal takken voortbrengen en hij zal tot een heerlijke ceder worden ». Het Hebr. heeft hier niet het vrouwelijke maar het mannelijke voornaamwoord. Hiermee wordt een man aangewezen. Men zou kunnen vragen waarom het mannelijk woord jonèk van Jes. 53 :2 hier ook niet gebruikt is. We geloven dat dit mede dient om de zachtheid en tederheid van het jonge tankje uit te drukken.
Nu komen we tot de verdere uitlegging. Aan de opperste tak — dat is Davidzitten jonge takjes — dat zijn Davids zonen. Een van hen Nathan is de tak waaruit het tedere takje — Christus — voortkomt. Deze zal tot een heerlijke ceder worden beeld van onvergankelijkheid want cederhout was duurzaam. En wel in Israëls land. « De bomen des velds » van vs, 24 zijn de koningen der Heidenen. « De hoge boom » zijn de koningen van de Salomonische lijn. Dit boom wordt vernederd, d.i. die lijn wordt afgebroken, zie wat Jer. 22:28-30 van Chonia zegt. « De nederige boom — de lijn van Nathan — wordt verheven; uit deze lijn is Maria die zingt « nederigen heeft Hij verhoogd » (Lk. 11:52).
De jonèqèth heeft niets met Zedekia's dochter te maken. Men kan niet eens bewijzen dat hij een dochter had. Daarbij volgde nimmers een vrouw op op de troon van Israël. Verder is in het geslathtsregister van Mt. geen sprake van Zedekia, Chonia is de laatste koning. Zo blijft alleen dit over dat we met de jonèqèth Christus zien aangeduid. Zo zagen het ook reeds Joodse uitleggers. Zij die er de dochter van Zedekia in zien, vergeten, dat al had ze in Ierland geregeerd, nimmer aan haar vervuld is wat van de heerlijke ceder gezegd wordt. Er staat niet dat haar nakomelingen of haar huis zullen regeren maar dat hij — de tedere jonèqèth — tot een heerlijke ceder zal worden. En is het nu niet veel schoner en rijker dat we in deze Christus zien, de onvergankelijke grote Koning op de troon Davids dan een niet nader bekende vrouw die uit de « hoge boom » spruitend mede vernederd moest worden zelfs geen recht had op de troon, noch als vrouw noch ook omdat een andere boom verhoogd zou worden.
V. Het Stenen Koninkrijk (Top)1. Sprong van vier op zeven.
De Brits-Israël leer meent, dat we nu in het Stenen Koninkrijk leven. De volken van N.W.Europa, de Britse eilanden en Amerika beheersen de wereld. Ze moeten Satans macht weerstaan (de Brits-Israël leer moet hen daarvoor wakker maken), zij zijn Gods uitverkoren volk. Ze hebben Spanje weerstaan, Napoleon (de vraag rijst daarbij of Pruisen, Rusland en Oostenrijk er ook toe behoren, want die zijn met nog andere volken in 1814 Frankrijk binnengerukt), Hitler (behoren YoegoSlavië, Griekenland er ook toe?) en thans doen ze het Rusland. In één woord, zij heersen met God.
De voorstanders van deze leer bedoelen met alle ernst Gods Woord dat voor hen geheel geinspireerd is (evenals voor ons) ten volle te handhaven en werpen zich met kracht op de reële zin van dat Woord, inzonderheid der profetiën. Maar zij zien meerdere dingen over het hoofd, maken sprongen. Zo bij Dan. 2.
Hoe men ook Dan. 2 wil verklaren, we vinden vijf en geen vier rijken in het beeld dat Nebukadnezar zag: goud, zilver, koper, ijzer, ijzer-leem. De eerste vier zijn voor ons: Babel, Medo-Perzië, Griekenland, Romeinse Rijk. Nu wil de Brits-Israël leer ineens van het Romeinse Rijk, het vierde, overspringen op het rijk dat gevestigd wordt door de Steen die zonder handen wordt afgehouwen. Voor ons is dat een sprong van vier op zeven, want voordat het Stenen Koninkrijk komt, moet eerst het Voet- en Teenrijk, het vijfde nog komen en dit moet volgens Dan. 7 daarna nog door het ijzeren Monsterrijk (met 3 andere) gevolgd worden. Eerst dan komt het Koninkrijk van onze Here Jezus Christus. Hij is de Steen en Zijn rijk zal mede gegeven worden aan de heiligen des Allerhoogsten. (Dan. 7:27). De Mensenzoon ontvangt Zijn rijk eerst nadat het Beestrijk verdaan is, eerst dan zal de God des hemels een niet te verstoren koninkrijk doen komen. (Dan. 2:44).
Het vijfde rijk van Dan. 2 ligt buiten de vier voorgaande, evenals de voeten buiten de andere lichaamsdelen liggen. Het is het Voet- en Teenrijk. Voor ons dit er nog niet geweest. De profetie is onderbroken. Het is niet het verbrokkelde Romeinse Rijk, want dan zou het in het gebied van het vierde, het Rom. Rijk liggen. Het is een geheel nieuw rijk.
In de eindtijd is er het gehele complex weer. Nebukadnezar ziet in zijn droom dat het gehele beeld vermalen wordt. « Toen werden te samen vermalen het ijzer, leem, koper, zilver en goud » 2:35. Voordat dit geschied is, komt het « Stenenrijk » er niet. En kan ook Brits-Israël met zijn mede-rijken niet heersen. Want Israëls heerschappij geschiedt niet buiten zijn Koning om, maar is er door die Koning.
« Doch in de dagen van die koningen, d.w.z. van de koningen van al die rijken, zal de God des hemels een koninkrijk verwekken dat in eeuwigheid, (Hebr.: in de eeuwen, meervoud) niet zal verstoord worden. Het zal al die koninkrijken vermalen en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid (Hebr.: in de eeuwen) bestaan. Daarom hebt gij gezien dat uit de berg een steen zonder handen afgehouwen werd, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde. » Dan. 2:44, 45. Hoe kan dan thans, nu er (afgezien er van dat het vijfde rijk er nog niet geweest is) nog vele rijken zijn, reeds het Stenen Rijk heersen?
Aan de heerschappij van Christus gaat die van het Beest vooraf. Eerst moet de Mens der zonde zijn rijk gesticht hebben. Hij is de Kleine Hoorn van Dan. 7 en 8. Dit alles is nog toekomst. Zolang echter Christus niet heerst, heerst Israël, ook Tienstammig Israël (dat niet bestaat naar we zullen zien) niet. Het volk van de heiligen des Allerhoogsten (niet: der hoge plaatsen) krijgt het rijk eerst met Hem, hun Koning. Dan. 7:27. Hij zal Koning zijn over het Huis Jakobs, niet nu, maar: in de eeuwen. (grondtekst van Lk. 1:33); deze vangen aan met de toekomende eeuw, dat is bij de wederkomst van Christus.
2. De Steen van Dan. 2. (Top)
Zoals gezegd verstaat de Brits-Israël leer onder de steen van Dan. 2 Tienstammig Israël. Het zonder-handen-af gehouwen worden is voor haar de bijzondere geboorte van Izaak. Laat ons in de Schrift nagaan wie of wat zij met de « steen » aanduidt.
Het woord « steen » komt in totaal 'n 340 maal voor. Van al deze keren wordt het slechts 18 maal in figuurlijke zin gebruikt. We gaan ze na en beginnen we met het N.T.
Het Gr. woord voor steen is « lithos ». Het wordt 60 maal gebruikt waarvan 12 keer figuurlijk. Steeds wijst het dan Christus aan. Petrus zegt dat Hij de steen is die de bouwlieden verworpen hebben en die geworden is tot hoofd des hoeks, Hand. 4:11 (zie mede vs 10). Hij citeert hiermee 's Heren woorden, Mt. 21:42, Mk. 12:10, Lk. 20:17. Deze steen is ook de steen des aanstoots van Rom. 9:32, 33 en 1 Petr. 2:4, 6, 7, 7. Op wat over deze steen in Mt. 21:44 en Lk. 20:18 staat, komen we hieronder terug.
Nu het O.T. Hier vinden we voor steen « èbèn ». Dit woord komt 'n 280 maal voor, maar slechts 6 keer in figuurlijke zin, in Jesaja en Daniel elk 3 maal.
Jes. 28:16 « Daarom, alzo zegt de Here: Zie Ik leg in Sion een grondsteen, een beproefde steen — ».
Jes. 8:14 « De Here der heerscharen zult gij heiligen — ». « Dan zal Hij u tot een heiligdom zijn. Maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling de twee Huizen Israëls ».
Blijkt uit het N.T. dat Christus de steen des aanstoots is, in Jesaja zegt de Here dat Hij zelf dit is. Hij zal zijn tot een steen des aanstoots. Hij, de Jahweh is de latere Christus in het vlees. Als zodanig zal bij de beide Huizen Israëls tot een steen des aanstoots zijn.
De tien stammen zijn het ene Huis Israëls. Indien zij nu na hun volksidentiteit verloren te hebben Christus als Heidenen aanvaard zouden hebben, is dit woord van Jesaja onjuist en onvervuld gebleven. Dan heeft alleen het andere Huis, Juda- Benjamin zich aan Hem gestoten. De Schrift zegt dat Hij beide Huizen tot steen des aanstoots zal zijn. Hiermee vervalt de leer over de verloren volksidentiteit en worden de z.g. tien stammen geen Heidenen.
We vinden de overige keren dat « steen » figuurlijk gebruikt is in Dan. 2. « Dit zaagt gij totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen », vs 34, « ...uit de berg », vs 45. Deze steen wordt tot een berg, vs 45.
Tot heden vonden we dat de Steen in figuurlijke zin Jahweh-Christus is. Is de steen van Dan. 2 nu een rijk? We kunnen dit niet inzien omdat we geloven dat de Schrift ook voor Dan. 2 leert dat de steen Christus is. Ten eerste volgt dit uit twee teksten uit het N.T. Mt. 21:44 en Lk. 20:18. Zij luiden:
« En wie op deze steen valt, die zal verpletterd worden en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen ».
In deze verzen is sprake van twee dingen: het vallen Op en het vallen van de steen. Het eerste betreft de steen gelegd in Sion. Dit is Christus in Zijn vernedering. Het tweede, het vallen van de steen, betreft Zijn tweede komst, die in Zijn verhoging. In het eerste geval ligt de steen op de aarde, in het tweede valt hij op de aarde. Over dit laatste gaat het in Dan. Ten tweede wijst de uitdrukking « zonder handen » steeds elke menselijke tussenkomst, bemiddeling of tussenschakel af en heen naar de daad Gods. De Kleine Hoorn, de mens der zonde, wordt zonder hand verbroken, n.l. door de geest van Christus' mond, Dan. 8:25, 2 Thess. 2:8. Christus is besneden zonder handen, Col. 2:11. Zie voorts Job. 23:20 en de teksten die « niet met handen » hebben n.l. Klaagl. 4:6, Hand. 7:48, 17:24 en 25, 19:26, 2 Cor. 5:1, Ef. 2:11, Heb. 9:11 en 24.
Het zonder handen afgehouwen worden van Dan. 2 is het zenden van Gods wege — de Berg — van Christus ten oordeel. Dan valt Hij op hen voor wie Hij de rots der ergenis is en tevens op het grote monsterrijk van de eindtijd, dat vermalen wordt.
Zo is de steen èn naar logische consequentie en naar de geest der Schrift niet Israël maar Christus. Hij en niet Israël wordt de berg die de gehele wereld vervult. De steen is niet Israël, want hij wordt gelegd in Sion, in Israëls centrum, kan dus dit Israël zelf niet zijn. Hij is de beide Huizen Israëls tot een aanstoot en ergenis. Het zijn niet alleen de Judaieten die zich er tegen gestoten hebben, het is Israël, Rom. 9:31. Voor ons is dit « geheel Israël », maar indien de voorstanders der Brits-Israël leer er alleen het Tienstammenrijk onder willen verstaan, komen zij met hun leer lelijk in het gedrang want dan is dit Israël zich wel bewust van zijn volksidentiteit. Geheel Israël, met uitzondering van het overblijfsel naar de verkiezing der genade, heeft zich gestoten en op Israëls ongehoorzamen in de eindtijd zal Hij vallen.
Ten slotte. Nog nimmer is het totaal-beeld er geweest, goud, zilver, koper, ijzer, ijzer-leem. Het is er op een rijk na in opvolging geweest. Nebukadnezar ziet het totaalbeeld vermorzeld. Dit geschiedt eerst in de eindtijd. Dan. 2:44. Maar dan kan het Stenen koninkrijk er thans nog niet zijn en valt ook hier de Brits-Israël visie.
Zie verder onze uitgave: « Het gedeelde Koninkrijk ».
3. De jaar-dag tijdberekening. (Top)
In dit verband zij opgemerkt dat de Schrift de tijden der Heidenen nergens stelt op 7 maal 360 of 2520 jaar; ook niet dat ze begonnen zijn in 604 v. Chr.; dan zouden zij geeindigd zijn in 1916 of 1917. De Schrift leert dat de heilige stad en dat in de eindtijd vertreden zal worden 42 maanden. Op. 11:2. Ook dat de Heidenen tot op 's Heren komst op de Olijfberg tegen Jeruzalem zullen strijden en de stad zullen innemen, Zach. 14:2-4. Hoe kan men dan zeggen dat ze reeds geëindigd zijn? Wie met getallen gaat rekenen in de tijd dat Israël Lo-Ammi, Niet-Mijn-volk is, komt falikant uit. Evenzo wie een jaar-dag theorie wil toepassen, en b.v. de 1260 dagen van Daniël tot 1260 jaar maakt; hij vergeet dat de Schrift slechts twee maal dagen — en dan nog werkelijk voorbijgegane — aanduiding laat zijn van jaren, n.l. in de woestijnreis, Num. 14:34 en bij Ezechiël, 4:4-6. In beide gevallen is dit aangegeven. Dit doet de Schrift nergens elders. Daarom heeft niemand het recht dit wel te doen.
Dat b.v. de 1260 dagen van Op. 11:3 geen 1260 jaren zijn blijkt uit het feit dat ze in vs 2 als 42 maanden aangeduid worden. Nergens heeft het woord maand in O. of N.T. de betekenis van een symbolische maand. Ook niet in de Openb. (9:5, 10, 15; 11:2, 13:5; 22:2). Daarom kan men van deze dagen geen jaren maken. Noch ook van die van Dan. 12. Het zijn letterlijke etmalen welke thans toekomstig zijn.
4. Het zitten op Davids troon. (Top)
Volgens de Brits-Israël leer zit het Engelse koningshuis op Davids troon. Zedekia's dochter Tamar Tephi is via Egypte naar Ierland getrokken en daar is zij koningin geworden. Later is haar koningshuis op de Schotse troon gekomen. Uit dat Huis stamt het Engelse koningshuis af. Zo is de Davidische troon nooit onbezet gebleven. Vanzelf moet « Efraim » dan ook al in Schotland zijn geweest. Maar dat is tijdrekenkundig niet mogelijk, tenzij we aannemen dat de 10 stammen uit Assur ontsnapt zijn voor Nebukadnezar het overwon en zij, althans Efraim, in korte tijd door West-Azië, Rusland en Duitsland getrokken zijn om zich in Engeland-Schotland te vestigen. Dit ter zijde.
Waarop grondt men nu deze mening aangaande Davids troon? Op Gen. 49:10: « De scepter zal van Juda niet wijken noch de wetgever (bevelhebberstaf) van tussen zijn voeten totdat Silo komt » en Jer. 33:17: « Aan David zal niet worden afgesneden een man die op de troon des Huizes Israëls zitte ».
Laat ons zien of deze teksten hiervoor kunnen dienen.
Indien we in Gen.49:10 scepter lezen, zoals er nu staat, houden we steeds de moeilijkheid die er zich bij voordoet, n.l. dat de scepter van Juda reeds lang geweken was (met Zedekia) voor de Silo, Christus, kwam. Ligt de oplossing dan in de Brits-Israël leer en bleef de Davidische troon bezet? Hiertegen zijn, afgezien van wat we hieronder verder over deze teksten zullen schrijven, nog deze ernstige bezwaren in te brengen: Ten eerste lezen we nergens dat de lijn der koningen op een vrouw overgaat. Men zal Athalia aanvoeren maar deze werd geen koningin door de dood van haar man maar door die van haar schoonvader, dus doordat haar man koning werd; daarbij was zij niet uit het Huis van David maar van Achab; verder regeerde zij doordat zij het geslacht van haar man uitroeide. Ten tweede is Davids troon alleen over geheel Israël en is nimmer alleen over de tien stammen geweest (wel over die van Juda alleen). Ten derde staat hij nooit buiten Jeruzalem. Dit alles kan nimmer van Tamar Tephi's troon gezegd worden.
We komen nu tot de twee genoemde teksten. Het woord door « scepter » vertaald, shevat, betekent eigenlijk een staf voor een zekere functie (herdersstaf) of voor het dragen van gezag. Overwegend is het woord door « stam » vertaald; hierbij staat « stam » voor « staf » en wijst de gezagsstaf van het stamhoofd aan en daarmede dan de stam; we noemen slechts Gen. 49:16, 25; Ex. 24:1; 28:21; 39:14. En verder vele malen. In Ex. 21:20; 2 Sam. 7:14, in Job en Spreuken en ook nog elders is het door « roede » overgezet. In Gen. 49:10; Num. 24:17; Ps. 45:7 en nog wat teksten is het door « scepter » vertaald. De grondbetekenis gaven we reeds hierboven n.l. « staf ».
We geloven dat de vertaling van « scepter » in Gen. 49:10 niet juist is. We zouden deze tekst het best, enigszins vrij, zo kunnen vertalen. De (leiders)staf zal van Juda niet wijken, noch het wetten-geven van tussen zijn voeten (wat wellicht betekent: van zijn nageslacht) totdat Hij, Silo, komt en Hem zullen alle volken gehoorzamen ».
De z.g. « scepter » is de « leidersstaf ». Dit is een taalfiguur, een metaphora, een overdraging. Het leiding geven wordt bedoeld, het teken er van genoemd. Juda heeft in de loop van Israëls geschiedenis de leiding gehad. Juda's offerde eerst, Num. 7:12, Juda's banier ging voorop, 10:14, Juda moest het eerst optrekken, Richt. 1:2, Juda's stam had bij de terugkeer onder Zerubbabel weder de leiding. Voorts vergete men niet de invloed van de tempel als godsdienstig middelpunt en Jeruzalem als politiek centrum, later na de Ballingschap het geestelijk centrum voor Israël met zijn Sanhedrin.
Tot dat Silo komt ——— En Hem zullen de Volken gehoorzamen. We zetten tussen deze twee versdelen een lange streep, want tussen de komst van Silo, Christus, de Rustaanbrenger en Zijn regeren ligt naar van achteren blijkt een lange tussenbedeling die nog niet geëindigd is; waarin we dus nu nog leven. Wel gelooft het Rooms-Katholicisme en het Calvinisme dat Christus thans de wereld regeert (van een aan Hem gehoorzamen door de Volken zien we echter niets), maar dit is in strijd met de gelijkenis van de welgeboren man in Lk. 19. Deze ging heen om een koninkrijk te ontvangen — dit is geschied want aan Christus is alle macht gegeven en hemel en op aarde, dus ook die van het Koninkrijk der hemelen: het koninkrijk aan Israël op te richten — maar Hij is nog niet wedergekeerd om het Koninkrijk openlijk te aanvaarden en er werkelijk over te regeren. Dan zou ook de beloning der dienstknechten reeds plaats gehad hebben en het oordelen der opstandelingen. Wij zien van dit alles niets. Zo blijft er ruimte voor de tussenperiode. Deze begint evenwel niet met het Kruis alsof Israël toen verworpen werd maar eerst later. In geen geval is er thans sprake van Christus' Koningschap in feite over Israël en de wereld en van een bezet zijn van de Davidische troon.
Maar hoe dan met Jer. 33:17. « Want zo zegt de Here: « Aan David zal niet worden afgesneden een man die op de troon des huises Israëls zitte. »? Dit woord mag men niet losmaken uit het gehele verband. Vs 14 spreekt over de toekomst van Israël en wel over die van het gehele volk: het Huis Israël en het Huis Juda. « In die dagen en te dier tijd zal Ik David een Spruit der gerechtigheid doen ontspruiten — ». En nu leze men daarop vs 17: « Aan David zal niet worden afgesneden een man die op de troon des Huizes Israëls zitte ». Dan vs 16: « In die dagen zal Juda verlost worden en Jeruzalem zeker wonen ». En dan vs 18: « Ook zal de Levietische priesters —— niet worden afgesneden een man die brandoffer offere een spijsoffer aansteke en slachtoffer bereide al die dagen ».
De Brits-Israël leer beweert dat het Davidische Huis nu nog regeert. Indien dit zo ware, zou daarnaast een Levietische hogepriester moeten zijn benevens Levietische priesters. De Davidische regering gaat gepaard met de aanwezigheid van priesters, levieten en een tempeldienst. Men kan het een niet letterlijk nemen en het ander in hetzelfde verband doen wegvallen. De voorstanders menen dat de offerdienst heeft opgehouden. Dit is zo voor deze bedeling. Maar men kan in Jer. 33 deze dienst niet te niet zien gedaan en het koningschap handhaven. Men kan slechts kiezen uit drie: Of en troon en altaar zien wegvallen of beide handhaven voor nu of beide voor toekomstig houden. Niet als vierde: één handhaven, de troon, een doen wegvallen, het altaar.
Wie dit laatste toch wil, moge lezen wat er aangaande de troon staat: er moet een man op zitten. Het Hebr. gebruikt hier voor « man » geen « Adam » (geborene uit Adam) of « enosh » (zwakke mens) maar « ish », d.i. mens van het mannelijk geslacht, (dit staat tegenover isha, vrouw, het « manninne » van Gen. 2:23). Ook in dezen is de Brits-Israël leer niet Schriftuurlijk. De Schrift zegt dat. geen « man » zal worden afgesneden. Indien ook al Davids Huis regeerde, dan had op de Engelse troon geen koningin Victoria moge zetelen noch zou Elisabeth II mogen regeren. Haar kroning zou onschriftuurlijk zijn. De Schrift zegt dat een man op de troon van het Huis Israël moet regeren. Dit woord zou dus thans toch niet vervuld worden in de Engelse koningin.
Voor ons is ook Jer. 33 toekomstig. De Brits-Israël leer ziet de tussenbedeling niet en heeft zo geen oog voor het feit dat de vele profetieën die van voren bezien een complex schijnen te vormen van achteren blijken gesplitst te zijn geworden. En dit om de overtreding van het Huis Israël.
VI. Het Nieuwe Verbond (Top)1. Regeren met God?
Volgens de Brits-Israël leer regeert het 10-stammig Israël met God. Het bezit de heerschappij der zee; zijn zaad is in vele wateren, d.i. Brits Israël woont en zijn mede stammen wonen op eilanden of aan de zee, Num. 24:7, zijn hand is in de zee, Ps. 89:26; het heeft de Messias niet verworpen (ze zijn immers een deel der Heidenen die Paulus' evangelie aangenomen hebben); ze staan in het nieuwe verbond waarin de Abrahamietische zegeningen worden vervuld.
Bezien we ook deze dingen.
Num. 24:7 betreft heel Israël. God heeft immers geheel Israël uit Egypte opgevoerd, vs 8. Vs 7 kan dus niet over de 10 stammen alleen spreken. Vs 5 bewijst dit mede; daar vinden we de dubbelterm: Jakob-Israël. We vinden deze 44 maal in het O.T. Hij heeft steeds betrekking op alle stammen. Hier zijn de teksten: In Mozes' boeken 8 maal. Num. 23:7, 10, 21, 23, 23 (zie vers 22); 24:5, 17; Deut. 33:28; dan in 2 Sam. 23: 1; 1 Kron. 11:13, 17. Dit zijn 11 teksten voor de tijd dat Israël nog niet gesplitst was. In de Psalmen vinden we de term 7 maal: Ps. 14:7; 22:14; 53:7; 78:5, 71; 135:4; 147:19 (In Ps. 105:10 wordt er de aartsvader Jakob mee aangeduid). In de Profeten komt hij 26 maal voor: Jes. 7:7; 14:1; 27:6; 40:27; 41:8; 43:22, 28; 44:1, 2, 5, 21, 23; 46:3; 48:12; 49:5, 6; samen 18 maal; dan nog in Klaagl. 2:3; Ez. 20:5; Micha 1 :5; 2: 12; 3: 1, 8, 9; Nahum 2:2; samen 8 maal. Wie ze nagaat zal zien dat er steeds het hele volk mee wordt aangeduid. Num. 24:5, dat reeds bepaald wordt door 23:7, kan niet op 10 stammig Israël slaan. Er staat in dit hoofdstuk nog bij, dat de Here zijn God met Hem is en het geklank des Konings bij hem. Die Koning is Hij die uit Jakob zal heersen, 24:19. Dus Christus. Indien Num. 24:5 nu vervuld werd, zou Christus thans op aarde heersen. Dan zou Israël zijn vijanden verteren, 24:8.
Ps. 89:26 geldt niet Israël maar David. Dit gedeelte begint bij vs 21 en loopt tot vs 38. Het handelt geheel over David. God zal diens hand in de zee zetten en diens rechterhand in de rivieren.
Jer. 3:11-17 spreekt over Israëls bekering. Maar niet in een reeds nu voorbijgegane periode. Indien dit geschied was, zouden zij in het Land zijn. Vs 16 zegt immers dat zij daarin vruchtbaar zullen worden. Dat de Brits-Israël leer toch aan die bekering gelooft is, omdat zij meent dat de Heidenen aan wie Paulus schreef, mede de 10 stammen omvatten. Paulus zegt echter dat de zinnen der kinderen Israëls tot in zijn dagen verhard waren en dat er een deksel op hun hart lag. 2 Cor. 3:14, 15. Hoe kunnen zij dan de Heidenen zijn aan wie hij kort daarop zijn Romeinenbrief schreef? Indien Israël zich bekeerd had, was Christus wedergekomen na die bekering.
Betert u dan en bekeert u opdat (niet: wanneer) de tijden der verkwikking mogen komen en Hij u moge zenden Jezus Christus ». Hand. 3:19-21. Men ziet dat ook hier de leer strijdt met de Schrift.
Jer. 3 :11-17 heeft het over de tijd dat Israël herders krijgt naar Gods hart; dat Jeruzalem 's Heren troon zal zijn, dus dat Christus is wedergekomen; dat de Heidenen, de Volken, optrekken naar Jeruzalem, Vs 18 moet later ingevoegd zijn.
Paulus zegt in het reeds genoemde 2 Cor. 3 dat het Israël van zijn dagen verhard was en in Romeinen, dat, hoewel niet allen ongehoorzaam geweest zijn, God toch de handen uitgestrekt heeft tot 'n ongehoorzaam en tegensprekend volk. Rom. 10:16 en 21. En dit betreft dan niet specifiek de « Joden » van de Brits-Israël leer, maar Israël, vs 19. Dus, volgens die leer dan, de 10 stammen. Israël was er toen dus nog (voor ons waren dat de 12 stammen) maar het was ongehoorzaam, dus had zich niet bekeerd. Daarop wacht de Here; tot zij zich schuldig kennen en daarvoor is Hij naar zijn plaats wedergekeerd. Hos. 5: 15.
Dat Efraim (volgens de Brits-Israël leer Engeland) niet in het N.V. staat — het konkrete bewijs is dat niet allen daar de Here kennen van klein tot groot, dat de godsdienstzin vermindert en ook daar alles verwatert — is uit de Schrift te bewijzen.
De genoemde leer zegt dat o.a. Efraim door Azië en Europa en ook via Spanje naar Engeland is gekomen. De Schrift zegt dat Efraim gedeeltelijk naar Egypte is gegaan. « Efraim zal weder naar Egypte keren (dat zullen wel de zeer velen geweest zijn die voor Sanherib uit het land vluchtten) en zij zullen in Assyrië het onreine eten ». Hos. 9:3. Zie ook 8:13.
Efraim staat hierin niet alleen, al zegt de Schrift dit niet met zoveel woorden. Volgens Deut. 28:68 heeft dit het hele volk getroffen, wel niet massaal, in zijn geheel, maar dan toch essentieel, in de vertegenwoordiging van al zijn stammen. « En de Here zal u naar Egypte doen wederkeren in schepen — ».
In overeenstemming hiermee voorzegt Jes. 11:11 « Want het zal geschieden te dien dage, dat de Here ten anderen male zijn hand aanleggen om weder te verwerven het overblijfsel zijns volks dat overgebleven zal zijn van Assyrië (z.g. 10 stammen) en van Egypte — Neder-Egypte — (Efraim, Juda en andere stamdelen) en van Patros (Opper-Egypte) en van Morenland (Soedan en Abessinië) en van Elam (ten O. van Babylonië, tussen dit land en Perzië) en van Sinear (Babylonië) en van Hamath (Noord-Syrië) en van de eilanden der zee (de kustlanden der Midd. Zee, dus o.a. van Klein-Azië). Dit is het overblijfsel Zijns, des Heren volk, d.i. « gans Israël ».
Efraim het z.g. Engelse rijk der Brits-Israël leer, treft nog een lot. Zijn naam is uitgedaan t.o.v. de hogere roeping in Openbaring 7. Uit alle stammen zijn 12.000 verzegelden, maar niet uit Efraim en niet uit Dan. Voor Efraim treedt Jozef in de plaats, voor Dan. Levi. Op. 7:7, 8. Wat is hiervan de reden? Dan begon met stamafgoderij reeds in de Richtertijd (Richt. 18) en Efraim bij de splitsing des rijks in Jerobeams dagen. 1 Kon. 12.
Dan en Efraim zal treffen wat de Here van de enkeling die naar het goeddunken van zijn hart zal wandelen, voorzegd heeft. Des Heren toorn zou over hem roken « en de Here zal zijn naam van onder de hemel uitdoen ». Deut. 29:19-21. Hosea 4:17 zegt: Efraim is vergezeld van de afgoden. Dat zal ook in de eindtijd zo zijn, anders werd zijn naam niet uitgedaan. Voor God zijn de verzegelden niet Efraimieten maar Jozefieten. Evenwel zullen Efraims en Dans stammen — omdat Gods roeping en verkiezing onberouwelijk zijn en Efraim de afgoden zal laten varen, Hos. 14:9, — delen in de zegeningen van het Land, waarin ook aan die stam een gebied ten erfdeel wordt beschoren. Ez. 48:1, 5. Hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen, Hos. 13:15.
« Want Ik zal het Huis Juda versterken en het Huis Jozefs zal Ik behouden en Ik zal ze weder inzetten, want Ik heb mij hunner ontfermd en zij zullen wezen alsof Ik ze niet verstoten had (dus nu zijn ze het wel) en Ik ben de Here hun God en zal ze verhoren ——— Want Ik zal ze wederbrengen uit Egypteland en Ik zal ze vergaderen uit Assyrië en zal ze brengen in het land Gilead (Midden Oost-Jordaanland waar vroeger de halve stam van Manasse woonde) en Libanon (in Syrië, dat in de toekomst ook tot het Land zal behoren), maar het zal hun niet genoeg wezen ». Zach. 10:6-10.
Efraim komt dus uit Egypte en uit Assyrië. Beide Huizen worden weder ingezet. In hun Land. Daar zullen ze tot een volk worden. « Zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zal de Kinderen Israëls (het ganse, twaalfstammig Israël) halen uit het midden der Heidenen (Volken) waarhenen zij getogen zijn en zal ze vergaderen van rondom en brengen ze in hun land en Ik zal ze maken tot een enig volk, in het Land, op de bergen Israëls ». Ez. 37:21, 22.
« Ik zal ze wederbouwen en gij zult gebouwd worden, o Jonkvrouw Israëls ——— Want daar zal een dag zijn waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt u op en laat ons opgaan naar Sion, tot de Here onze God. Roept luide over Jakob met vreugde en juicht vanwege het hoofd der Heidenen (dat is geheel Israël) ——— Ik zal ze aanbrengen uit het land van het Noorden en zal ze vergaderen van de zijden der aarde ——— en zij zullen komen met geween en met smekingen zal Ik ze voeren, want Ik ben Israël tot een Vader en Efraim, die is mijn eerstgeborene ——— Hij die Israël verstrooid heeft (ze zijn gezaaid onder alle volken), zal hem ook weder vergaderen —— » Jer. 31:4-10.
Dan eerst zal het wezen: « Is niet Efraim mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? » Jer. 31:20.
3. Het Nieuwe Verbond over gans Israël. (Top)
Het Nieuwe Verbond is niet maar een verbond waarin thans alleen de 10 stammen zouden staan, het is er een voor « gans Israël ». Het N.V. staat tegenover het Oude. Dit had « eeuwig » moeten zijn, d.i. gedurende deze eeuw, tot het door iets hogers, de rechtvaardiging door het geloof, was vervangen maar werd in beginsel bij Sinai en later telkens weer verbroken door Israëls afgoderij. Jes. 24:5, Ps. 78:10. Werd nu het O.V. gemaakt met gans Israël, met het N.V. zal dit ook het geval wezen. Het wordt gemaakt met « het Huis Israël en met het Huis Juda », Jer. 31:31 die in vs 33 samengevat worden in « het Huis Israël ». In deze benaming keert de Geest tot de oorspronkelijke betekenis er van terug; Hij duidt er geheel Israël mee aan gelijk eertijds geschiedde. Zie Ex. 16:31; 40:38; Lev. 10:63; 1 Sam. 7:2, 3; Ps. 98:3 om niet meer te noemen.
Dit inzetten in het N.V. van gans Israël is nog nimmer geschied. Wel is het bloed er voor gestort, Mt. 26:28; Mk. 14:24; Lk. 22:20; (men weet: testament moet zijn: verbond; de St. V. is hier onjuist; zie Nwe Vert.), maar het is slechts op beperkte schaal en gedurende betrekkelijk korte tijd werkzaam geweest. Het waren slechts weinigen in de Handelingentijd die in dat Verbond werden opgenomen. Heb. 8:8 leert, volgens de grondtekst, dat het moet voleindigd worden, het woord « maken » van de St. Vert. is onjuist. Waar Israël in Hand. 28 is terzijde gezet kon het niet verder worden uitgewerkt en is stil gezet; de voleindiging volgt als Israël weer als volk wordt aangemerkt.
Het inzetten in het N.V. houdt in dat allen de Here kennen van de kleinste tot de grootste. Dit geschiedt door het geven van een nieuw hart. Ez. 36:26, 27. Indien de volken van de Britse eilanden en N.W. Europa in het N.V. stonden zouden we geen steeds voortgaande ontkerstening onder en van hen vinden en zou het inzetten na 19 eeuwen toch zeker reeds voltooid moeten zijn. We zijn er nog verder van af dan te voren.
De voleinding van het N.V. heeft plants in « de bestelde plaats » welke is het beloofde land. Niet Europa. Jer. 32 :37-41: « Zie Ik zal ze (n.l. de kinderen lsraëls en de Kinderen van Juda van vs. 30 en 32) vergaderen uit al de landen waarhenen Ik ze zal verdreven hebben ... en Ik zal ze tot deze plaats wederbrengen en Ik zal ze doen wonen. Ja zij zullen Mij tol een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn. En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede mitsgaders hun kinderen na hen. En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken ... En ik zal Mij over hen verblijden dat Ik hun weldoe ... » Dit is het verbond des vredes waarvan Ez. 34:25 en 37:26 spreken. Uit 34:24 en 37:25 kan men andermaal zien dat dit gemaakt wordt als David hun vorst is en zij in het Land zijn. Dit verbond des vredes is het « eeuwig verbond » dat van « de eeuwigheid » d.i. der toekomende eeuw als Gods Heiligdom, Ezechiëls tempel, in hun midden gezet is. Hoe kan het er dan nu zijn buiten het Land? Ook hier weer. blijkt dat de Brits-Israël leer een verbondsleer huldigt die afwijkt van die der Schrift.
VII. Oorsprong, Opkomst en Grondfout van de Brits-Israël Leer. (Top)1. Oorsprong en opkomst.
De Brits-Israël leer is niet zo nieuw als men zou kunnen denken. Ze dateert reeds uit de Middeleeuwen. Ze grijpt echter thans steeds meer om zich heen: Naast een Brits-Israël is er ook een Nederlands-Israël. Gaan we ook in dezen een en ander na. We ontlenen enkele gegevens aan de brochure « De Brits-Israëlbeweging », uitgegeven door de Redactie van « Het Zoeklicht » en uit enkele andere ons in handen gekomen stukken.
Het Puritanisme in de zeventiende eeuw in Engeland heeft de meeste invloed gehad op het ontstaan van de Brits-Israël leer. Eigenlijk zullen we nog dieper moeten graven, maar hierover hieronder. Evenals Da Costa in de 19e eeuw Nederland het Israël van het Westen noemde, deden de Puriteinen dit reeds in de 17e eeuw t.o.v. Engeland. Langzamerhand, een honderd jaar geleden, ging men dit meer in nationale zin opvatten en meende men in Engeland het Israël te zien dat met God heerste. Toen toch was Engeland gaandeweg een wereldrijk geworden. Deze leer verbreidde zich over Amerika en Canada. Nu heeft men moeten prijs geven dat Engeland alleen Israël was; als zich tien stammen in Engeland en N.W.Europa gevestigd hebben, zetelt in Engeland niet geheel Israël. Het wil echter de leiding behouden en ziet zich nu als de hoofdstam van het tienstammig Israël n.l. Efraim. Grootmoedig mogen ook andere volken een stamnaam hebben. We vonden in: « Waar bleven de Tien Stammen van Israël? » van Dr. L. A. Rademaker hierover het volgende lijstje dat weer ontleend is aan Prof. Morzer:
| 1 Ruben |
— |
0.- en W.-Romeinen. |
|
6 Aser |
— |
Zweden |
| 2 Simeon |
— |
Franken. |
|
7 Issaschar |
— |
Friezen. |
| 3 Dan |
— |
Denen |
|
8 Zebulon |
— |
Bataven. |
| 4 Naftali |
— |
Spanje — Portugal |
|
9 Efraim |
— |
Engelsen. |
| 5 Gad |
— |
Slavische Volken. |
|
10 Manasse |
— |
Amerikanen. |
Tegen deze beweging heeft de Anglikaanse Kerk zich fel gekant. Ze plaatste haar op één lijn met de Vrijmetselarij. Maar de beweging breidde zich desalniettemin uit en tegenwoordig heet zij « The British World Federation ». Vooraanstaande politici en militairen hebben zich in haar gelederen geschaard.
De Brits-Israëlbeweging wil in de Engelse natie de Theocratie, de Godsregering zien. Ze wordt meer en meer een nationalistische religie, een rassengodsdienst. De Engelsen worden als « Israëlieten » gezien, iets wat hun nationale trots niet weinig streelt en stevigt. Hiervoor is, zoals gezegd, reeds enige eeuwen geleden zijdelings de grondslag gelegd door de Puriteinen.
Echter, zij niet alleen. Ook in ons land gingen de gedachten over de 10 stammen. Daar was een zekere Dr. Abadie, die meende dat het niet alleen Engeland was dat Israël, of beter, de tien stammen, vertegenwoordigde; hij zocht de 10 verloren stammen behalve op de Britse eilanden ook in het noorden en westen van Europa. Dit waren meer op zichzelf staande meningen. Sedert een eeuw is de visie tot een grote beweging geworden door Richard Brothers die beweerde openbaringen gehad te hebben dat hij een erfgenaam was van de troon Davids en verder door « Edward Hine die in 1871 een boek uitgaf over de vereenzelviging van de Britse natie met de verloren 10 stammen. Hij ontdekte (z.g.) veel overeenkomst in gewoonten, geloof, traditie, taal, enz. der beide volken, zodat hij Gods verbond met Abraham vervuld zag in diens (z.g.) nakomelingen, de Engelsen. Door de prikkel der nationale gevoelens is deze beweging geworden tot een wereldfederatie. » — (Brochure Het Zoeklicht). In de loop van de tijd zijn er honderden boeken en boekjes over de Brits-Israël leer verschenen. Elk jaar wordt er in Londen vanwege de Beweging een Congres gehouden dat soms tot 20.000 bezoekers trekt, waaronder bisschoppen der Engelse Kerk en leden van het Koninklijk Huis. We laten het bij dit korte overzicht; het is van meer belang haar grondfout in te zien.
2. De Grondfout van de Brits-Israël leer. (Top)
De grondpijlers der Brits-Israël leer n.l. de scherpe scheiding tussen Israël en Juda, niet alleen na de splitsing, maar ook in het N. T., het wegtrekken der 10 stammen naar N.W.Europa en het nu aanwezig zijn van het Stenen Koninkrijk, het laatste wereldrijk van Dan. 2, hebben een dieper liggende draagbodem. Deze is gevormd door de Kerkvaders der eerste en tweede eeuw en houdt in, dat, toen Israël als volk was weggevallen in 70 n. Chr. en Christus wederkomst niet geschied was men is begonnen te leren, dat men de profetieën verkeerd verstaan had en dat men ze « vergeestelijken » moest. Niet het weggedane Israël was Gods volk, maar de gelovigen uit de Christenheid. Voor Israël was de Kerk in de plaats gekomen en de Schrift moest in dat licht uitgelegd worden. Gods profetische woord moest « geestelijk » worden uitgelegd. Termen als Israël, Huis Israëls, Koning Israël, Verlosser Israëls, Heilige Israëls, Rotssteen Israëls, Sion, Jeruzalem, Huis des Heren enz. welke gebruikt worden t.o.v. het Bondsvolk hadden, volgens de Kerkvaders, betrekking op het geestelijke Israël, de Kerk. Althans wat de zegening betreft. De vloek was voor de « Jood ». Dit legde de grondslag voor de Katholieke Kerk die later gesplitst is in Rooms- en Grieks-Katholieke Kerk. De Reformatie heeft deze dwaalleer niet uitgezuiverd. In Lutheranisme en Calvinisme evenals in Anglicanisme (half Rooms, half Reformatorisch) is deze leer nog de grondslag van de belijdenis gebleven. Zo leven we in een Christenheid die in wezen moeder is van velerlei dwaalleer. Ook van die der Brits-Israël leer.
Wat is er nu gebeurd? Eerst was de Kerk geestelijk Israël. Nu onze tijd zo realistisch geworden is, slaan velen om en maken gestuwd door meningen van vroegere voorlopers, sagen, allerlei spitsvondige en dwaze taalbeschouwingen, enz. van het geestelijke Israël een konkreet verstaatlijkt Israël met letterlijke stammen. Waar zij geen oog hebben voor de betekenis van Paulus die twee bedieningen gekregen heeft en niet verstaan, dat hij de grote pauze inleidt en inluidt tussen Israëls verwerping en zijn herstel, werpen zij zich met alle macht op de profetieën en menen dat die grotendeels nu vervuld worden. En hier wreekt zich nu de grondfout, deze, dat de Christenheid in de plaats van Israël gekomen is. Dit is allerwegen leer in de bredere hoofdstromingen en dat konkretiseert de Brits-Israël leer nu.
De Kerk heeft geen recht hierin de aanhangers te oordelen. Zij doet dezelfde dingen, zij het in tegengestelde zin: zij « vergeestelijkt »; terwijl de Brits-Israël leer « verkonkretiseert ». Voor de Kerk zijn de gelovigen geestelijk Israël, voor de Brits-Israël leer zijn meerdere volken letterlijk Israël.
Beide lopen logisch genomen vast. De Kerk kan vele profetieën niet uitleggen zonder de eenvoudige betekenis er van geweld aan te doen, de Brits-Israël leer kan dit evenmin. De Kerk draagt termen die Israël aanduiden op de Christenheid over, de Brits-Israël leer draagt ze op volken over. Voor de Kerk zijn de Heidenen geestelijk Israël, voor de Brits-Israël leer zijn de Heidenen verheidenst Israël.
Vanzelf lopen deze visies uiteen maar de basis van Kerk- en Brits-Israël leer is dezelfde: de heilsbeloften aangaande Israël worden nu, geheel of gedeeltelijk, vervuld in de Kerk volgens de ene, in Europese volken volgens de andere. En dit nu is de grondfout der beide visies.
Dat de Brits-Israël leer haar leerlingen en aanhangers wijst op de letterlijke vervulling der nationale beloften trekt aan; dat laat de Schrift ongerept staan; dat ze meent dat dit nu geschiedt, is haar grote fout en is betreurenswaardig. Dat de Kerk de O.T. beloften vergeestelijkt en ze daarmee verijdelt is eveneens betreurenswaardig; dat zij ze thans ziet vervullen is ook haar grote fout. Beide gaan scheef en komen verkeerd uit.
De misopvatting dat God ons nu op aarde zegent door een burgerschap in Israël leidt tot het bedenken van aardse dingen. En Rooms-Katholicisme èn Calvinisme èn Brits-Israëlitisme willen de wereld thans zo leiden dat zij ze bij Christus' komst als aan Zijn voeten zouden willen leggen. Rome wil dit door 'n alles overheersende Kerk, het Calvinisme door de doorwerking van de beginselen in kerk, staat en maatschappij, de Brits-Israël leer door de politieke beheersing door Westerse volken. Dit alles is een vooruitgrijpen op Christus' werk. Het is thans echter de dag des mensen en het is Gods bedoeling niet om het Koninkrijk der hemelen te doen heersen. Dat zal komen, maar alleen door Christus' wederkomst.
De sleutel van de hele zaak ligt in het recht snijden van het Woord der waarheid. We mogen nu de feiten die zuiver en alleen Israël gelden, niet toepassen op een volk of op een tijd waarin ze niet passen. God doet nu een ander werk. Eerlang vangt Hij met de herschepping in elk opzicht op aarde aan.
Voor ons is er, gelukkig, een uitnemender weg. Wet en Profeten gaan niet voorbij dan door vervulling van de beloften en woorden zoals ze er staan. Maar dat is niet voor nu. De nationale heilsbeloften wachten tot de,tijd dat duisternis de aarde zal bedekken en donkerheid de volken maar dat de Here over Israël zal opgaan en Zijn heerlijkheid over hen zal gezien worden. Deze tijd is nu nog een « te dien dage ». Dat is merendeels in de toekomende eeuw. We leven nu in een tussenbedeling, die ligt tussen wat reeds letterlijk vervuld is en het andere dat het nog moet worden. Als we het zo kunnen zien, zullen we niet alleen het Woord der waarheid recht snijden maar ons verblijden over het heil dat God nu toebereidt.
VIII. Voor en Na Handelingen 28 (Top)
De voorstanders der Brits-Israël leer weten niet in welke bedelingen we nu al honderden jaren leven. Zij menen dat de 10 stammen ten volle in het Nieuwe Verbond staan. Maar dan zou ook de wereld in de Wedergeboorte zijn en zouden de 12 Apostelen op 12 tronen zitten, oordelende de 12 geslachten Israëls. Dan zou de Zoon des mensen moeten zijn wedergekomen en zouden we al in de toekomende eeuw leven. Heten zij de Israëlieten der 10 stammen blind voor hun identiteit, zien zij zelf wel de markante grenslijn die God getrokken heeft in Hand. 28:28?
Het is niet zonder bedoeling dat het Boek der Handelingen zo plotseling eindigt. We hadden gaarne van Lukas nog meer gehoord. Maar hij eindigt zonder slot. Dit komt omdat God daar de grenslijn trekt en in een enkel woord de nieuwe sfeer — en dat nog ter helfte — aangeeft.
In Hand. 28 verdwijnt Israël uit de heilsbedeling. Het is van dan af geen lichtdrager meer. Bediende Paulus tot op die tijd het Evangelie der Voorhuid nog als Israëliet die in dezen de priesterdienst tussen God en Volken waarnam, een staat waartoe Israël reeds spoedig na Christus' opstanding had moeten komen, na Hand. 28:28, dit is na het afscheid dat Paulus de Joodse leiders uit Rome moest geven, verliest Israël definitief die plaats. Al eeuwen komt de heilsprediking niet meer door Israël, maar door de Volken. Hand. 28:28 is nog steeds van kracht: « Het zij u dan bekend dat de zaligheid (Behoudenis) Gods (dit is hier: Christus) tot de heidenen (de Volken) gezonden is en dezen zullen horen. » Van toen af werd Christus ook naar de bedeling de Middelaar Gods en der mensen. 1 Tim. 2:5. Israël valt weg als kanaal der zegening dat het had moeten zijn en nu komt het heil tot de mensen zonder Israël. Door Duitsers, door Angelsaksen, door Nederlanders, enz. Maar niet als zijnde de 10 verloren stammen, maar als Heidenen, die eertijds vervreemd waren van het burgerschap Israëls en geen hoop in de wereld hadden, terwijl Israël die wel had. (Tot op Hand. 28:20 is spraken van de hope Israëls; dat is allereerst Zijn Messias, dan zijn verbonden, zijn beloften).
Hand. 28:28 is de bedelingsgrens. Hier werd het Nieuwe Verbond, dat vanaf Pinksteren werkte, tijdelijk stil gezet en treedt iets nieuws in: zegening, niet van volken als zodanig maar van individuele personen uit de Volken. Paulus ontving « allen die tot hem kwamen ». Hand. 28:30. Hij leert hen van de Here Jezus Christus.
Wel verre dat Israël het kanaal der zegening is, is Israël nu uitgeschakeld. Wel verre dat het nu is: eerst de Jood en ook de Griek, is het nu: de behoudenis is tot de Heidenen gezonden. Indien dit ook Israëlieten zijn, houdt alle zin van de Schrift in dezen finaal op. Zeker de « Jood » kan ook nu het geloof in de Here Jezus Christus deelachtig worden, maar dit geeft hem geen enkele voorrang boven de anderen, Alle nationale beloften zijn opgeschort. Terwijl de Brits-Israël leer de 10 stammen aardse, nationale beloften geeft (de bestelde plaats, de Davidische troon, het heersen over vijanden, Israël het hoofd der volken, het Nieuwe Verbond), leert de Schrift de supra- en buitennationale beloften, voorgehouden in twee bedelingen. Deze zullen we aangeven.
1. De bedeling van het algemeen geloof. (Top)
In 1 Tim. 1:4 (1 Tim. is geschreven na de tijd van Hand. 28, toen Paulus weer vrij was gekomen) is sprake van de bedeling Gods die in geloof is of anders gezegd: geloofsbedeling Gods. Hiermee begint de Here een tijd als er was van Abel tot op Abram. De eis is: wandelen door geloof, geloven in de Here Jezus Christus zonder zichtbare tekenen, ceremoniën of symbolen. Hiertoe wekt Hebreën al op en het wijst daarbij op de helden des geloofs. Romeinen leidt mede daarheen door zijn leer van het sterven en opgewekt worden met Christus, waarin dan niet meer is Jood of Griek. In deze geloofsbedeling die « naar het (al)gemeen geloof », Tit. 1:2, zijn geen nationale beloften vervat maar bovennationale. De hoop er van is niet de hope Israëls, maar « de verschijning van de heerlijkheid van de grote God en Behouder », Tit. 2:13. Is het Koninkrijk (voor Israël en de Volken) bereid van (af) de grondlegging (nederwerping) der wereld, Mt. 25:34, de hoop van het eeuwige (aionische) leven voor de geloofsbedeling Gods is gegeven voor de tijden der eeuwen, dat is voor de nederwerping der wereld, Tit. 1:2. Ze geeft ongetwijfeld een erfdeel niet van een land maar van de wereld, omvattend hemelen en aarde, evenals ook Abraham is beloofd. Rom. 4:13. Hiermee staan we niet op nationale maar op supranationale bodem.
2. De bedeling der Verborgenheid. (Top)
God heeft nog meer gedaan. Naast de geloofsbedeling heeft Hij aan Paulus een andere geopenbaard: de bedeling der genade Gods, Ef. 3:1, in vs 9 genoemd bedeling der Verborgenheid (voor « gemeenschap » moet in de St. Vert. staan: « verborgenheid ». Zo zegt ook de Luther vertaling). Deze is alleen aan Paulus toebetrouwd, vs 8, en openbaart een zegening in Christus met alle geestelijke zegening in een sfeer boven over al de hemelen, in de overhemelen, grondtekst Ef. 1:3. Deze gaat mede terug tot voor de grondlegging (nederwerping) der wereld, vs 4. Ook deze bedeling is supra-nationaal maar omvat daarbij nog veel meer dan de geloofsbedeling. Ze openbaart de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, geeft een positie in Gods Rechterhand, Ef. 2:6, en een taak voor de overheden en machten, 3:10. Ze behelst de vorming van het Lichaam en overtreft in beloften al wat vroeger geopenbaard was verre. Ze begon met de openbaring aan Paulus in zijn eerste gevangenschap gegeven en loopt nog door tot in onze tijd.
In deze bedeling heet Christus het Hoofd boven alle dingen en wordt Zijn Lichaam gevormd door lid voor lid toe te bereiden. Dit is een zuiver geestelijke gemeenschap. De hoop er van is zelfs nog meer dan het aionische leven; dit immers vangt in lichamelijke zin aan bij de toekomende eeuw, Mk. 10:30, Lk. 18:30. Maar de hoop der roeping Gods die boven is, is niet minder dan kort na het sterven van de leden, door de uitopstanding (grondtekst Fil. 3:11) het lichaam der vernedering, (dit is dat hetwelk in het graf is neergelegd) te zien gelijkvormig gemaakt aan het lichaam der heerlijkheid van het Hoofd, de Here Jezus Christus. Fil. 3: 21. Daartoe komt Hijzelf neder uit het Burgercentrum in de hemelen (grondtekst vs 20). ( « Wandel » is geen juiste vertaling; vs 20 luidt: Maar ons burgercentrum behoort tot de hemelen, uit hetwelk — n.l, uit welk burgercentrum — wij ook de Behouder verwachten). Voor het natuurlijk oog onzichtbaar doet Hij opstaan en ten hemel varen. Als het Lichaam volledig is zal het met zijn Hoofd Christus bij Diens wederkomst zichtbaar in heerlijkheid verschijnen, Col. 3:4.
3. Buiten Israël om. (Top)
Beide genoemde bedelingen gaan geheel buiten Israël, wat kanaal der zegening betreft, om. Het zijn thans boven nationale beloften die God geeft. De Behouder is tot de Heidenen gezonden. Paulus is de gevangene voor de Heidenen. Ef. 3:1. Daar verheidenste Israëlieten van te maken is daarom mede ongerijmd omdat hij die de besnijdenis niet houdt, uit zijn volk uitgeroeid zou worden. Gen. 17:14. De besnijdenis behoort mede tot het Nieuwe Verbond Ez. 44:9. Hoe zou God dan verheidenste Israëlieten kunnen zegenen die krachtens het niet houden van het verbond der besnijdenis uit het volk uitgeroeid zouden moeten worden. Allemaal dingen die men over het hoofd ziet, maar die voor God meetellen. Wet en Profeten gaan eenmaal voorbij, maar niet door ontbinding, dat is, niet - vervulling maar door vervulling. Mt. 5:17, 18. Zo zal ook de besnijdenis Israëls volkskenmerk zijn. Mijn verbond zal in ulieder vlees zijn ten eeuwigen verbonde, » Gen. 17:13. Wie niet besneden is, heeft Gods verbond verbroken, vs 14. Dit woord geldt gans Israël. Wie Brits — of ander — Israël leert, moet ook de besnijdenis leren. God zal ook dit Zijn verbond houden. Mede omdat het Pascha weder gevierd zal worden en daaraan mocht en mag geen onbesnedene deel nemen. Ex. 12:44, 48. Zoals nu de offeranden terugkomen, Ez. 45, 46, 20 zo zal ook de besnijdenis van kracht zijn in het Nieuwe Verbond. Hoe dan met die Westerse 10 stammen?
Men kan uit al het bovenstaande zien — er ware nog veel meer te zeggen — dat juist nu alles buiten Israël om gaat en dat we in een heel andere bedeling leven. Inzoverre heeft de Kerk haar betrekkelijke waarheid, betrekkelijk omdat zij veel te veel uit voorgaande bedelingen in de tegenwoordige heeft overgedragen en de zaken verward heeft. Wiens oog verlicht mag worden, Ef. 1:18, zal, lettend op de dingen die verschillen, zeker twee andere zien. De ene is de algemene geloofsbedeling, waarvan de grondslag ligt in 2 Cor. 5: de verzoening der wereld en die tot hoop heeft het Huis aionisch in de hemelen en ter verwezenlijking de verschijning van de grote God en Behouder, Tit. 2, de ander die dezelfde basis heeft maar een andere hoop, d.i. doelstelling, n.l. het mede gezet worden en mede deelgenoot zijn van de belofte in Christus (n.l. zijn zitten in Gods Rechterhand). Wie tot elk dezer sferen behoort, bepalen niet wij maar God door verkiezing (uitverkorenen Gods in Tit. 1:1 en uitverkoren in Hem in Ef. 1:4). Naast deze twee bedelingen loopt dan die van de Christen-Joden die in Christus de Beloofde der vaderen zien, in Hem geloven en behoren tot het uitverkoren geslacht, het koninklijk priesterdom waarvan Petrus spreekt. Zij hebben tot hoop de hope Israëls. Wij menen dat als ze zo de Schrift bezien de schijnbare tegenstrijdigheden wegvallen. Dit is de visie die we sinds een kwart eeuw in onze geschriften ontwikkeld hebben.
In zoverre de Brits-Israël leer de profetieën letterlijk neemt en tegen de vergeestelijking door de Kerk opkomt, kunnen wij er niet dan mee sympathiseren. Maar inzoverre zij een scheiding maakt tussen Jood en Israëliet waarbij de eerste geheel verworpen is (zoals men veelal in de Kerk leert) en de laatste thans zou heersen in een aantal Angelsaksische en aanverwante volken menen wij dat zij absoluut het spoor bijster is en moeten wij haar als Gods Woord weer ondergravende afwijzen. Heffen velen Israël geheel op — geen aasje van hoop meer voor dat volk — de Br. Isr. leer maakt het bestaan als volksstammen konkreet, voor haar regeren deze nu met God. Er is een uitnemender weg. Gans Israël komt weer op zijn plaats, Gods roeping en verkiezing in dezen zijn onberouwelijk en Hij zal Zijn werk aan hen voleinden. Maar niet in deze eeuw. Nu zijn alle in de verstrooiing. Inmiddels werkt God iets anders uit van Zijn voornemen (plan) der eeuwen. Het geheel zal veelkleurige wijsheid openbaren. Wie van de twee Huizen Israëls meer mag zien dan de Kerk en de Br. Isr. leer, betuigt met Paulus: « Want God heeft ze allen onder de zonde besloten opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. 0 diepte des rijkdoms en der kennis Gods. » Rom. 11:32, 33.
|